ECLI:NL:RBDHA:2025:23385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 24/6719
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning voor uitbreiding dakkapel in strijd met bestemmingsplan en goede ruimtelijke ordening

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande dakkapel op zijn woning in Nieuwkoop. Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag en komt tot de conclusie dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. De rechtbank legt uit dat de aanvraag is ingediend op 1 november 2023, en dat de Wabo van toepassing blijft, omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan ‘Zuidhoek, 1e herziening’. Eiser betoogt dat het college de verkeerde bouwregels heeft toegepast door de dakkapel als hoofdgebouw te kwalificeren, maar de rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dakkapel in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert dat de dakkapel de maximale toegestane goothoogte overschrijdt en dat er geen ruimtelijke bezwaren zijn om af te wijken van het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt verder dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de uitbreiding van de dakkapel niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank wijst erop dat de dakkapel in de nieuwe situatie een prominente aanwezigheid in het straatbeeld zal hebben, wat niet past binnen het beeldkwaliteitsplan. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is en dat het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Eiser wordt in de proceskosten veroordeeld en het college moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Durmus),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop

(gemachtigde: mr. M. van Eck).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande dakkapel op het adres [adres 1] te Nieuwkoop. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag mocht afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser woont aan [adres 1] te Nieuwkoop. Op 1 november 2023 heeft hij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van de bestaande dakkapel op zijn woning.
2.1.
Met het besluit van 21 december 2023 (het primaire besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken overgelegd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 november 2023. Dat betekent dat in deze zaak de Wabo van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
4. Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen ‘Zuidhoek’ en ‘Zuidhoek,
1e herziening’ (hierna in enkelvoud: het bestemmingsplan). De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemmingen ‘Wonen - 3’ en de specifieke bouwaanduiding ‘veranda’.
4.1.
In 2017 is het hoofdgebouw op het perceel gebouwd. Het hoofdgebouw bestaat uit twee bouwlagen met een dakkapel en een inpandig balkon. De aangevraagde omgevingsvergunning ziet op de uitbreiding van de dakkapel op de tweede bouwlaag in het achtervlak, door de dakkapel 2,90 meter dieper te maken.
4.2.
Het college heeft de aanvraag aangemerkt als gericht op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ [1] en het ‘gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ [2] . Het college heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bouwplan van eiser in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Zuidhoek, 1e herziening’ en dat het geen gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om ten behoeve van het bouwplan af te wijken van het bestemmingsplan.
Heeft het college de verkeerde bouwregels toegepast?
5. Eiser betoogt dat het college zijn bouwplan heeft getoetst aan bouwregels van het bestemmingsplan die daarop niet van toepassing zijn. Eiser voert hiertoe aan dat het college zijn dakkapel ten onrechte heeft gekwalificeerd als een hoofdgebouw en daarom het bouwplan heeft getoetst aan artikel 11.2.1 van de planregels. De dakkapel voldoet echter aan de definitie van bijbehorend bouwwerk zoals opgenomen in artikel 1.14 van het bestemmingsplan. Het bouwplan had daarom aan artikel 11.2.2 van de planregels getoetst moeten worden.
5.1.
Het college erkent dat met het primaire besluit aan de verkeerde bouwregels is getoetst, omdat de dakkapel leidt tot een wijziging van het onderdeel van de woning dat in planologische zin een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is. Daarom had moeten worden getoetst of het aangebouwde bijbehorende bouwwerk na de wijziging nog voldoet aan de planregels voor bijbehorende bouwwerken. Dit is onderkend, maar niet expliciet gecorrigeerd in het bestreden besluit. Het college stelt zich op het standpunt dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd kan worden, omdat het bouwplan van eiser ook in strijd is met het bestemmingsplan wanneer de dakkapel gekwalificeerd wordt als (uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college zowel in het primaire besluit als in bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of de dakkapel voldoet aan de bouwregels voor een bijbehorend bouwwerk. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een draagkrachtige motivering. De rechtbank is van oordeel dat deze gebreken kunnen worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door deze gebreken. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in ieder geval in strijd is met één van de in het bestemmingsplan gestelde regels over bijbehorende bouwwerken.
Is de dakkapel in strijd met het bestemmingsplan?
Artikel 11.2.2, onder c, van de planregels
6. Tussen partijen is niet in geschil de goothoogte van de dakkapel de maximale toegestane goothoogte van artikel 11.2.2, onder c, van de planregels overschrijdt. De vragen die partijen verdeeld houden is of sprake is van meerdere strijdigheden en of er ruimtelijke bezwaren bestaan tegen het afwijken van het bestemmingsplan.
Artikel 11.2.2, onder d, van de planregels
6.1.
Eiser betoogt dat het bouwplan zich niet bevindt aan de langszijde van het hoofdgebouw en dat reeds daarom geen sprake kan zijn van strijd met artikel 11.2.2, onder d, van de planregels. Volgens eiser gaat het om de lijn op de plankaart en niet om de uitleg die is gegeven in het beeldkwaliteitsplan. Volgens eiser kan het beeldkwaliteitsplan niet meegenomen worden in de definitie van ‘langszijde’ omdat de planregels dateren van voor het beeldkwaliteitsplan. Nu de termen ‘langzijde’ en ‘kopse zijde’ niet zijn gedefinieerd in de planregels dient deze onduidelijkheid in het voordeel van eiser te worden uitgelegd, aldus eiser.
6.2.
Op grond van artikel 11.2.2, onder d, van de planregels, mag de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk niet meer dan 4,4 meter bedragen, indien het bouwwerk zich bevindt aan de langszijde van het hoofdgebouw.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met voormelde planregel. De rechtbank overweegt hiertoe dat de begrippen ‘langszijde’ en ‘kopse zijde’ niet zijn gedefinieerd in het bestemmingsplan. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat uit de plansystematiek blijkt dat er twee typen zijden zijn van een hoofdgebouw; de langszijde en de kopse zijde. Uit de plansystematiek – in combinatie met het beeldkwaliteitsplan van 2011 dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd – moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat onder ‘langszijde’ de lange zijde aan beide kanten van de woning wordt bedoeld. De kortere gevels, die haaks op de straat zijn gepositioneerd, zijn dan de kopse zijden van de woning. Nu het bijbehorende bouwwerk inclusief de dakopbouw 6,035 meter hoog wordt is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van strijd met artikel 11.2.2, onder d, van de planregels.
Mocht het college besluiten om niet af te wijken van het bestemmingsplan?
7. Eiser betoogt dat het college gebruik had moeten maken van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder sub a, onder 2o van de Wabo door middel van buitenplanse afwijking, op grond van de zogeheten kruimelregeling, omdat er geen ruimtelijke bezwaren bestaan. Bovendien betoogt eiser dat bij vergunning uit 2017 ook werd afgeweken van het bestemmingsplan en dat destijds juist is gemotiveerd dat de dakkapel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Straatbeeld
7.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat een vergroting van het bijbehorend bouwwerk ertoe leidt dat sprake is van strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft in dit kader toegelicht dat de huidige dakkapel aanzienlijk kleiner is dan het aangevraagde bouwplan. De dakopbouw wordt bijna twee keer zo diep en zal ook een stuk verder boven het dak uitsteken. Dit betekent dat de dakkapel in de nieuwe situatie een stuk prominenter aanwezig zal zijn in het straatbeeld. Het college stelt zich op het standpunt dat niet past binnen het beeldkwaliteitsplan en het straatbeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich, mede gelet op de hem toekomende beleidsruimte, op dit standpunt kunnen stellen.
7.3.
Voor zover eiser betoogt dat het college het beeldkwaliteitsplan ten onrechte heeft betrokken bij het bestreden besluit, overweegt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beeldkwaliteitsplan wel degelijk een rol kan spelen bij de vraag of het college bereid is gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat het beeldkwaliteitsplan ook normen bevat die ruimtelijk relevant zijn en die mogen worden betrokken bij de vraag of een afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Dakkapellenbeleid
7.4.
Eiser betoogt dat de aangevraagde uitbreiding van de dakkapel niet in strijd is met het vastgestelde dakkappellenbeleid van de gemeente Nieuwkoop en dat het college daarom toch had moeten afwijken van het bestemmingsplan. Subsidiair voert eiser aan dat het dakkappellenbeleid strengere eisen bevat dan het bestemmingsplan en dat het daarom onredelijk is om dit dakkappellenbeleid toe te passen. Ten derde voert eiser aan dat sprake is van een toegelaten uitzondering van het dakkappellenbeleid, omdat op het adres
[adres 2] reeds een identieke dakopbouw is vergund.
7.5.
De rechtbank overweegt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het bouwplan strijdig is met het door de gemeenteraad op 10 november 2011 vastgestelde dakkapellenbeleid. In de nota 'spelregels voor dakkapellen’ zijn criteria opgenomen wanneer een ingreep op het dakvlak gezien wordt als een dakkapel of wanneer het een dakopbouw betreft. De rechtbank kan het college erin volgen dat de dakopbouw in het verlengde ligt van de gevellijn en breder is dan 50% van de gevelbreedte waarin de dakopbouw wordt gesitueerd. [3] Daarmee is in ieder geval sprake van strijd met één van de criteria van het dakkapellenbeleid. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat dit criterium niet van toepassing is omdat er geen sprake is van een dakkapel met kozijnen. Dat, naar eiser stelt, de bestaande kozijnen richting de gevel worden verplaatst is daartoe onvoldoende. Het feit dat eerder medewerking is verleend aan de bestaande dakopbouw van eiser, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat dit criterium nu buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de dakopbouw wordt vergroot. Of de bovenkant van de verticale voorzijde van de dakopbouw net wel of niet hoger ligt dan 3 meter boven de vloer van de bouwlaag waarvoor de dakopbouw is bedoeld, [4] kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Uit de strijd met het criterium over de breedte van de dakkapel volgt namelijk al dat niet aan het dakkapellenbeleid is voldaan.
7.6.
De rechtbank overweegt verder dat het subsidiaire betoog van eiser niet kan slagen. Voor zover het dakkapellenbeleid strengere regels bevat dan het bestemmingsplan – hetgeen het college overigens betwist – geldt dat het college op zichzelf bevoegd is om restrictief beleid te voeren met betrekking tot het afwijken van het bestemmingsplan. In het licht van het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het college het dakkapellenbeleid in redelijkheid niet mocht toepassen.
7.7.
Ook in het ten derde gevoerde betoog van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevraagde uitbreiding van de dakkapel past binnen het dakkappellenbeleid. De uitzonderingsbepaling van het dakkappellenbeleid betekent dat het college als het een dakopbouw betreft alleen mee zal werken aan een afwijking van het bestemmingsplan, indien er binnen de dorpskern waarin het bouwplan zich bevindt, een identieke dakopbouw op eenzelfde woningtype met vergunning is gerealiseerd. Als dat niet zo is, wordt geen medewerking verleend aan realisering van een dakopbouw. Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiser naar voren gebrachte dakopbouw op het adres
[adres 2] niet identiek. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat identiek niet betekent dat het één en hetzelfde bouwwerk moet zijn, maar dat wel van vergelijkbare situaties uitgegaan moet worden. Bij de dakopbouw op het adres [adres 2] is er destijds bij de beoordeling van het bouwplan van uitgegaan dat deze vergunningvrij was, maar de dakopbouw is desondanks wel zonder dat voorbehoud weergegeven op de bouwtekeningen. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat in die situatie niet kan worden gesproken van een toegelaten uitzondering op het dakkapellenbeleid, die als precedent zou moeten worden opgevolgd.
Evenredigheid
7.8.
Eiser betoogt dat de extra ruimte die wordt gecreëerd met de uitbreiding van de dakkapel dusdanig noodzakelijk is dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser benoemt hierbij de oververhitte woningmarkt en de levensbestendigheid van de woning.
7.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de weigering van de omgevingsvergunning tot strijd met het evenredigheidsbeginsel leidt. Dat de woningmarkt krap is en dat eiser zijn huidige woning niet groot genoeg vindt, geeft daarvoor geen aanknopingspunt.
7.10.
De slotsom is dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat er ook uit een oogpunt van evenredigheid geen aanleiding is om daaraan medewerking te verlenen.

Conclusie en gevolgen

8. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep ongegrond is. Het college mocht de gevraagde omgevingsvergunning weigeren. Omdat toepassing wordt gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, is er aanleiding het college te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en moet het college het griffierecht vergoeden.
8.1.
De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
2.Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
3.In het dossier aangeduid als criterium E van het dakkapellenbeleid.
4.In het dossier aangeduid als criterium D van het dakkapellenbeleid.