In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025, wordt het beroep van eiser, een Algerijnse nationaliteit, tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De voorzieningenrechter behandelt tevens het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft de aanvraag afgewezen met het argument dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft een inreisverbod voor Oostenrijk en stelt dat dit hem zou blootstellen aan een boete of gevangenisstraf, wat zou leiden tot onevenredige hardheid bij overdracht aan Oostenrijk.
De rechtbank oordeelt dat het claimakkoord bevestigt dat het asielverzoek van eiser door de Oostenrijkse autoriteiten in behandeling zal worden genomen. De rechtbank is van mening dat verweerder mag aannemen dat de Oostenrijkse autoriteiten op de hoogte zijn van het inreisverbod. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie die stelt dat een inreisverbod geen belemmering vormt voor een Dublinoverdracht. Bovendien is niet aangetoond dat eiser het grondgebied van de EU heeft verlaten, waardoor het inreisverbod nog niet van toepassing is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn argument dat de overdracht aan Oostenrijk leidt tot onevenredige hardheid.
De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, in aanwezigheid van griffier N. Mekenkamp, en is openbaar gemaakt op 11 december 2025.