Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Oostenrijk volgens het Dublinakkoord verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
Eiser voerde aan dat hij een inreisverbod van twee jaar voor Oostenrijk heeft, waardoor overdracht zou leiden tot een onevenredige hardheid vanwege mogelijke boetes of gevangenisstraf. Ook stelde hij dat uitzetting naar Algerije onaanvaardbaar is.
De rechtbank oordeelde dat het Dublinakkoord vastlegt dat Oostenrijk het verzoek zal behandelen en dat Oostenrijk op de hoogte is van het inreisverbod. Het inreisverbod staat een overdracht niet in de weg, zeker omdat eiser het EU-grondgebied niet heeft verlaten. Klachten over Oostenrijk kunnen bij de Oostenrijkse autoriteiten worden ingediend.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.