ECLI:NL:RBDHA:2025:23406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
24/7558
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten door het bouwen van een FR3-fabriek in Gouda

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 17 november 2025, wordt het beroep van Stichting [eiseres] tegen de verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten door het bouwen van een FR3-fabriek aan de [adres] in Gouda beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De stichting, vertegenwoordigd door gemachtigde H. Du Pré, stelt dat zij als belanghebbende moet worden aangemerkt, omdat de zichtlijn op de Hollandse IJssel van belang is voor de leefbaarheid in de wijk Korte Akkeren. De rechtbank oordeelt dat de stichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een collectief belang behartigt en dat haar beroep ontvankelijk is.

De rechtbank behandelt vervolgens de vraag of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert dat de voorgenomen uitbreiding niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat de vergunning terecht is verleend. De rechtbank wijst erop dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor de Wabo van toepassing blijft.

Uiteindelijk komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: H. Du Pré),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Eekhout-Glas).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[bedrijf 1] B.V.te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster (gemachtigde: M. Thalen),
de Omgevingsdienst Midden-Holland(gemachtigde: A. Scholtes) en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de door verweerder verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten door het bouwen van een FR3-fabriek aan de [adres] in Gouda.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, namens verweerder dhr. [naam 1] , de gemachtigde van de Omgevingsdienst Midden-Holland, namens [bedrijf 1] B.V. dhr. [naam 2] en dhr. [naam 3] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. [bedrijf 2] B.V. heeft namens vergunninghoudster op 1 november 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten door het bouwen van een FR3-fabriek aan de [adres] te Gouda. De FR3-fabriek betreft een inrichting voor het splitsen van plantaardige en dierlijke oliën/vetten en de productie van verbindingen verkregen uit vetzuren, glycerine, alcoholen en amides. Bij de aanvraag zijn tekeningen en een Natuurtoets-rapport d.d. 27 oktober 2023 ingebracht.
2.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Het ontwerpbesluit heeft met ingang van 30 mei 2024 zes weken ter inzage gelegen. Op 15 juli 2024 heeft eiseres een zienswijze ingediend.
2.2.
Verweerder heeft op 2 augustus 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ [1] en ‘oprichten, veranderen, in werking hebben van een inrichting’ [2] . Verweerder heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de voorgenomen uitbreiding niet in strijd is met het bestemmingsplan. De voorgenomen uitbreiding past binnen de geldende bestemming en valt, voor zover de bebouwing betreft, binnen de bouwvlakken die zijn opgenomen en voldoet ook overigens aan de bouwregels. De voorgenomen uitbreiding wordt gerealiseerd in een welstandsvrij gebied. Dit betekent dat er geen welstandstoetsing nodig is.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Volgens verweerder is eiseres geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de doelstellingen in de statuten te algemeen zijn.
3.1.
Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijk werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. [3]
3.2.
De stichting heeft blijkens haar statuten ten doel: “het bevorderen van de leefbaarheid in al haar aspecten in de wijk Korte Akkeren in Gouda (waarbij deze wijk wordt begrensd door de Hollandse IJssel, de Gouwe, de Nieuwe Gouwe en de Turfsingel) alsmede het verrichten van al hetgeen daartoe bevorderlijk is.”
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een voldoende concreet collectief belang dat de stichting in het bijzonder behartigt, namelijk het bevorderen van de leefbaarheid van de bewoners van de wijken genoemd in de statuten. Daarmee is – anders dan verweerder stelt – ook sprake van duidelijke en beperkte territoriale begrenzing.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ook het behouden van de zichtlijn op de Hollandse IJssel vanaf de Schielands Hoge Zeedijk van belang is voor het bevorderen van de leefbaarheid in de wijk. Naar het oordeel van de rechtbank is dit belang rechtstreeks betrokken bij de verleende omgevingsvergunning, nu het vergunde bouwplan, dat is gesitueerd tussen de wijk Korte Akkeren en de Hollandse IJssel, gevolgen kan hebben voor die zichtlijn. Dat het bouwplan is gelegen achter de Schielands Hoge Zeedijk en er alleen vanaf die hoger gelegen weg en niet vanuit de lagere gelegen wijk zich bestaat op de Hollandse IJssel doet daaraan niet af. Die weg vormt de begrenzing van de wijk en aannemelijk is dat, zoals eiseres stelt, bewoners daar vaker gebruik van maken
3.5.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiseres met de toelichting ter zitting afdoende heeft onderbouwd dat zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de in de statuten genoemde doelstelling. Daaruit blijkt ook dat vrijwilligers van de stichting meedenken over de inrichting van de groene corridor bij [bedrijf 1] langs de Schielands Hoge Zeedijk. De stichting is ook betrokken geweest bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Schielands Hoge Zeedijk en heeft daarbij aandacht gevraagd voor de zichtrelatie over het bedrijventerrein vanaf de Schielands Hoge Zeedijk.
De rechtbank concludeert derhalve dat eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit en dat haar beroep ontvankelijk is.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Nu de aanvraag op 1 november 2023 is ingediend, blijft de Wabo van toepassing.
Het bestemmingsplan
5. Ter plaatse van de inrichting geldt het bestemmingsplan van de gemeente Goude ‘Schielands Hoge Zeedijk’. De gronden hebben daarin de bestemming “Bedrijventerrein – 1”, “Waarde – Archeologie” en “Waterstaat – Waterstaatkundige functie”. Ter plaatse van de inrichting is binnen het bestemmingsplan sprake van bouwaanduidingen, namelijk ‘specifieke bouwaanduiding – 11’ en ‘specifieke bouwaanduiding – 12’.
5.1.
De definitie van ‘bebouwing’ luidt op grond van artikel 1.5 van het bestemmingsplan als volgt: een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2.
De definitie van ‘bouwvlak’ luidt op grond van artikel 1.18 van het bestemmingsplan als volgt: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
5.3.
Op grond van artikel 3.2.1 van het bestemmingsplan mogen op de in artikel 3.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming “Bedrijventerrein – 1” worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de bouwvlakken;
(…)
m. in het gebied met ‘specifieke bouwaanduiding – 11’: 50% van dit gebied mag worden bebouwd met een maximale hoogte van 25 meter en 10% mag worden bebouwd met een maximale hoogte van 35 meter;
n. in het gebied met ‘specifieke bouwaanduiding – 12’: 70% van dit gebied mag worden bebouwd met een maximale hoogte van 15 meter, waarbij over een lengte van maximaal 50 meter aaneengesloten mag worden gebouwd;
5.4.
Ingevolge artikel 3.3 van het bestemmingsplan kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing:
a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving.
c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
d. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
e. ter waarborging van de sociale veiligheid;
f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen.
6. In zijn zienswijze heeft eiser aan het college verzocht om gebruik te maken van de in artikel 3.3. van het bestemmingsplan vastgelegde bevoegdheid om nadere eisen te stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing, teneinde maximaal doorzicht mogelijk te maken op het rivierbed over de 16 tot 19 meter brede onbebouwde strook grond aan de westzijde van de geplande uitbreiding van de FR3-fabriek. Eiseres vreest dat door bebouwing de openheid van deze “groene corridor” wordt beperkt.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de voorgenomen uitbreiding, voor zover de bebouwing betreft, plaatsvindt binnen de bouwvlakken die zijn opgenomen in het bestemmingsplan. De aangevraagde bebouwing is in overeenstemming met de planregels. De door eiseres bedoelde strook grond valt niet binnen een bouwvlak en blijft ook onbebouwd. Het bouwplan voorziet niet in bebouwing op die strook grond.
6.2.
De rechtbank leidt uit de zienswijze, het beroepschrift en hetgeen eiseres ter zitting heeft verklaard af dat haar verzoek om nadere eisen te stellen ziet op de 16 tot 19 meter brede onbebouwde strook grond aan de westzijde van de geplande uitbreiding van de FR3-fabriek. Eiser vreest dat ook op die strook grond bouwwerken kunnen worden opgericht, die het doorzicht op het rivierbed verhinderen. De rechtbank begrijpt dat eiseres doelt op de strook grond aan de westzijde van het bouwplan met bestemming Bedrijventerrein-I, specifieke vorm van bedrijventerrein - oleochemisch bedrijf – beperkt. Die strook grond bevat geen bouwvlak.
6.3.
De rechtbank heeft ter zitting de bouwplannen bekeken en met partijen besproken. De rechtbank is – gelet op de bouwtekeningen en hetgeen ter zitting besproken – van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aangevraagde en vergunde bouwplan niet voorziet in bebouwing op genoemde strook grond. Het vergunde bouwplan voorziet alleen in bebouwing binnen het naastgelegen bouwvlak met de bestemming bedrijventerrein-I, waar de bouwregels als bedoeld in artikel 3.2.1., eerste lid, sub m en n gelden. Eiseres betwist niet dat de vergunde bebouwing binnen dat bouwvlak plaatsvindt en past binnen de bouwregels; zij heeft ten aanzien van die bebouwing ook geen verzoek gedaan om nadere eisen te stellen.
Voor zover eiseres zich verzet tegen bouwwerken, zoals een toegangspoort en erfafscheiding, die worden opgericht in verband met de aanleg van de in- en uitrit, kan dat in onderhavige procedure niet aan de orde worden gesteld. Daar is immers separaat een vergunning voor verleend op 25 januari 2024, waartegen eiser geen rechtsmiddelen heeft aangevoerd.
De rechtbank concludeert dan ook dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om in het kader van onderhavige omgevingsvergunning nadere eisen te stellen zoals door eiseres is verzocht. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
8. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2335, r.o. 11.2.