Het lichter middel
4. De rechtbank dient in het kader van de ambtshalve toets waartoe zij is gehouden te beoordelen of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan. In dat kader moet de rechtbank beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi). 5. In het kader van de beoordeling of met toepassing van een lichter middel had moeten worden volstaan, moet de minister – als daartoe aanknopingspunten zijn - naar het oordeel van de rechtbank ook onderzoek doen naar de vraag of er ten aanzien van een vreemdeling sprake is van “family life” als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als daarvan sprake is, dan doorkruist vreemdelingenbewaring het familieleven van de vreemdeling en dan dient de minister dit kenbaar te betrekken bij de beoordeling van de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan.
6. De rechtbank stelt vast dat aan eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling een aantal vragen is gesteld in het kader van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft daarop verklaard dat hij getrouwd is, niet voor de wet maar wel voor de moskee en dat hij een zoon van zeven maanden in Nederland heeft. Op de vraag hoe de feitelijke invulling van het huwelijk of de gezinssituatie is, heeft eiser geantwoord ”
ja gewoon normaal”. Verder heeft eiser tijdens het gehoor verklaard dat hij bij zijn vriendin in Nijmegen woont, dat zijn vrouw ziek is, dat hij voor hen (de rechtbank begrijpt: zijn vrouw en kind) moet zorgen en hij zegt verder:
“Ik wil gewoon mijn gezinsleven uitoefenen,”.
7. In de maatregel van bewaring is vervolgens bij het lichter middel een beoordeling gemaakt in het kader van het arrest ChavezVilchez. Uit dat arrest volgt dat een derdelander op grond van artikel 20 van het VWEU een afgeleid verblijfsrecht heeft als hij daadwerkelijke zorgtaken voor een minderjarig Nederlands kind verricht. Verder dient sprake te zijn van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen de ouder en het kind, dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als de ouder geen verblijfsrecht zou hebben.
In de maatregel is daarover het volgende opgenomen:
“Betrokkene verklaarde in een zodanige afhankelijkheidsverhouding te staan tot zijn minderjarige (gestelde) kind, dat de Europese nationaliteit bezit, dat aan hem verblijfsrecht als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 moet worden verleend en dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Reeds hierom was betrokkene van mening dat hij daarom niet in bewaring kan worden gesteld. Op basis van de thans beschikbare gegevens is onderzocht of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen betrokkene en zijn kind bestaat, dat een mogelijke inbewaringstelling achterwege diende te blijven omdat er sprake zou zijn van “family life” in de zin van artikel 8 EVRM van de rechten van de mens. Vooralsnog is niet gebleken dat er sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat door de verwijdering van betrokkene het kind eveneens gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten omdat waarin wordt geconcludeerd dat er vooralsnog niet is gebleken dat er sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat door de verwijdering van eiser het kind eveneens gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten omdat:
betrokkene het kind niet heeft erkend;
het kind bij zijn moeder verblijft;
er slechts sprake is van een informele omgangsregeling;
betrokkene niet daadwerkelijk belast was met zorg- en/of opvoedingstaken;
geen financiële bijdrage leverde aan de opvoeding van zijn kind.”
8. De rechtbank heeft de minister ter zitting de vraag voorgelegd of met het voorgaande een juiste afweging is gemaakt ten aanzien van het gezinsleven dat eiser stelt te hebben met zijn vrouw en kind. Ook is de minister voorgehouden dat de meeste feitelijke aspecten van de motivering die in de maatregel zijn opgenomen niet uit het dossier blijken en in het bijzonder niet uit het proces-verbaal van het gehoor. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat met het gehanteerde toetsingskader voldoende is ingegaan op eisers gestelde gezinsleven. Verder heeft de minister aangegeven navraag te willen doen bij de desbetreffende verbalisant over het onderzoek dat is verricht. Op 18 november 2025 heeft de minister twee aanvullende processen-verbaal en een toelichting ingediend.
9. Uit het eerste proces-verbaal blijkt, kort gezegd, dat voorafgaand aan de inbewaringstelling het woonadres van eiser door de verbalisanten is bevraagd in de politionele systemen en dat hieruit naar voren komt dat eiser, zijn vrouw en kind hierop niet staan ingeschreven. Uit de bevraging van de personalia van de vrouw van eiser kwam een vrouw met een vergelijkbare naam naar voren, maar kwamen de overige gegevens niet overeen en deze vrouw heeft een kind dat is geboren in 2011 met een andere naam dan de door eiser gestelde zoon. Tenslotte is eiser gevraagd om een geboorteakte en trouwakte te overleggen, maar was hij daartoe niet in staat. Naar aanleiding van deze bevindingen is door de verbalisanten tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet meer doorgevraagd naar deze eventuele relatie.
Uit het tweede proces-verbaal volgt, kort samengevat, dat door de verbalisanten is onderzocht of eiser een kind heeft erkend in Nederland. Als dat zo is, zou dat kind onder hem in de systemen geregistreerd moeten staan en dat bleek niet het geval. De verbalisanten concluderen dat, nu eiser geen erkend kind heeft in Nederland en ook niet kan bewijzen dat hij zorg draagt over dit kind, er geen sprake kan zijn van een formele omgangsregeling. Daarnaast komt het kind ook niet naar voren onder de vrouw waarmee eiser stelt het kind te hebben. Uit het onderzoek van de verbalisanten komt geen bewijs dat het kind bestaat in Nederland. Hierdoor kan eiser volgens de verbalisanten ook niet aantonen dat hij belast is met de zorg/opvoeding of dat hij financieel bijdraagt.
10. De minister heeft zich op grond van het voorgaande op het standpunt gesteld dat met de processen-verbaal voldoende duidelijk is welk onderzoek de KMar heeft verricht naar aanleiding van eisers stelling dat hij een zoon van zeven maanden oud in Nederland heeft. Verder wijst de minister er op dat de overwegingen in de maatregel zijn gebaseerd op de uitkomst van dit onderzoek.
11. Eiser heeft in reactie hierop aangegeven dat het niet raar is dat de verbalisanten geen kind hebben kunnen vinden in de systemen. Eiser is immers niet ingeschreven in de BRP en heeft al aangegeven dat hij het kind niet heeft erkend, hetgeen ook niet mogelijk was voor hem. Verder heeft eiser wel onweersproken aangegeven dat hij een zeven manden oud kind in Nederland heeft en daarmee een informele omgangsregeling heeft. Er is niet gevraagd naar de naam en geboortedatum van het kind of de moeder. Met die gegevens kan wel degelijk worden nagegaan of het kind bestaat en wie de vader is. Dat zal immers zijn vermeld bij het aangeven van de geboorte. Door dit na te laten is onvoldoende onderzoek gedaan en is het besluit onvoldoende voorbereid. Bovendien is eiser niet bevraagd over de zorg- en/of opvoedingstaken, noch over een eventuele financiële steun en wat de precieze aard van de omgangsregeling is. Er kan dan ook geen oordeel worden gegeven of er al dan niet sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat door de verwijdering van eiser het kind eveneens gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten.
12. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in de maatregel een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5 is overwogen, gaat het om de vraag of er sprake is van “family life” als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Als daarvan sprake is, zal moeten worden beoordeeld in hoeverre een inbreuk daarop door de maatregel van bewaring gerechtvaardigd en dus of niet met een lichter middel kan worden volstaan. De beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, zoals de minister heeft gedaan, gaat naar het oordeel van de rechtbank verder.
13. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard dat hij in Nederland een zoon van zeven maanden heeft, getrouwd is en zijn gezinsleven wil uitoefenen. In dat geval ligt het op de weg van de minister om te onderzoeken of in het gezinsleven dat eiser hier te lande stelt te hebben aanleiding bestaat voor toepassing van een lichter middel dan bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit onvoldoende zorgvuldig gedaan.
14. De rechtbank merkt in dat kader allereerst op dat de minister, pas nadat daar ter zitting om is verzocht, aanvullende processen-verbaal heeft ingediend waaruit blijkt welke onderzoekshandelingen door de verbalisanten zijn uitgevoerd en waar conclusies in de maatregel op worden gebaseerd. Dit terwijl aspecten van feitelijke aard die in de maatregel aan eiser worden tegengeworpen, namelijk dat hij het kind niet heeft erkend, het kind bij de moeder verblijft, hij slechts een informele omgangsregeling heeft, hij geen zorg- en opvoedingstaken verricht en geen financiële bijdrage levert, op geen enkele wijze steun vinden in het dossier zoals dat tot het moment van de zitting aan de rechtbank voor lag. Het dossier was in die zin dan ook niet volledig. Dat is het, evenals het onderzoek, naar het oordeel van de rechtbank echter nog steeds niet. Daarvoor is het volgende van belang.
15. Weliswaar is er blijkens de aanvullende processen-verbaal voorafgaand aan het gehoor inbewaringstelling een onderzoek verricht in de systemen, maar de bevindingen hieruit zijn onvoldoende om op voorhand te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een gezinsleven tussen eiser en zijn zoon. Het ontbreken van een registratie in systemen betekent niet dat er geen sprake is van “family life”. Weliswaar kan een registratie een aanknopingspunt daarvoor zijn, maar ook bij het ontbreken van informatie in systemen kan eiser zeer wel gezinsleven uitoefenen met zijn vrouw en kind van zeven maanden. Van “family life” kan immers ook sprake zijn tussen een man en een vrouw met een relatie die lijkt op een huwelijk. Een kind geboren uit een dergelijke relatie is ipso jure een onderdeel van die gezinsvorm vanaf het moment van de geboorte en door het enkele feit van de geboorte.Bovendien kan er, in andere situaties, ook sprake zijn van “family life” tussen een biologische vader en een kind mits er ‘bijkomende omstandigheden’ zijn, waarbij bijvoorbeeld de feitelijke contacten een rol kunnen spelen.
16. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om dit tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling nader uit te vragen. Zoals immers in rechtsoverweging 4 is weergegeven, dient er een grondig onderzoek plaats te vinden naar de feitelijke elementen van het concrete geval. Dat aan eiser bij de aanvang van het gehoor is meegedeeld dat hij zijn zienswijze naar voren kan brengen met betrekking tot het opleggen van een lichter middel, maakt dat niet anders. Eiser heeft er meermaals op gewezen dat hij een vrouw heeft, hij wijst erop dat zij ziek is en voor haar zorgt, dat hij voor de moskee getrouwd is en dat zijn zoon zeven maanden is en zij in Nijmegen wonen. Hij heeft zelfs verklaard dat hij bij hen woont en zijn gezinsleven wil uitoefenen. De verbalisanten hadden daarom op zijn minst door dienen te vragen indien de antwoorden van eiser onvoldoende duidelijk waren. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank evident sprake. Eiser verklaart namelijk, wanneer hem wordt gevraagd, hoe de feitelijk invulling van zijn gezinssituatie is:
“Ja gewoon normaal”.Het had hier op de weg van de minister gelegen eiser uitgebreider te bevragen over de wijze waarop het gezinsleven wordt uitgeoefend.
17. Naast dit zorgvuldigheidsgebrek stelt de rechtbank vast dat de maatregel ook onvoldoende is gemotiveerd. De conclusies die worden getrokken, ook met de aanvullende processen-verbaal, kan de rechtbank nog steeds niet allemaal volgen. Zo staat in de maatregel weergegeven: “
Betrokkene verklaarde in een zodanige afhankelijkheidsverhouding te staan tot zijn minderjarige (gestelde) kind, dat de Europese nationaliteit bezit, dat aan hem verblijfsrecht als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 moet worden verleend en dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.”. Dit heeft eiser niet, althans dat blijkt niet uit het dossier noch uit de aanvullende processen-verbaal, verklaard. Verder staat er dat het kind bij de moeder verblijft, wat uit geen van de stukken in het dossier volgt. De rechtbank kan daaruit hooguit afleiden dat wel wordt geloofd dat er een moeder en kind zijn, die aan eiser te relateren zijn. Ook de conclusie dat er sprake is van een informele omgangsregeling volgt niet uit het dossier.
18. Verder wordt geconcludeerd dat eiser niet belast was met zorg- en opvoedingstaken en hij geen financiële bijdrage leverde aan zijn kind. De minister concludeert dit, blijkens het aanvullend proces-verbaal van 18 november 2025, uit het feit dat eiser geen erkend kind heeft in Nederland en het kind ook niet naar voren komt onder de naam van de vrouw waarmee hij het kind zou hebben. Vervolgens wordt geconcludeerd dat er uit het onderzoek geen bewijs is dat het kind bestaat in Nederland, dus eiser kan ook niet aantonen dat hij belast is met de zorg/opvoeding of dat hij financieel bijdraagt. Echter, uit de conclusies dat het kind bij de moeder woont en eiser een informele omgangsregeling heeft lijkt te volgen dat het bestaan van beiden niet wordt betwist. In die zin spreekt het aanvullend proces-verbaal de maatregel tegen en de rechtbank kan deze redenering dan ook niet volgen. Daarnaast is de redenering evident onjuist. Dat eiser een kind niet erkent, wil niet zeggen dat hij niet kan bewijzen dat hij er zorg voor draagt en een financiële bijdrage levert. Ook bij niet erkende kinderen kan sprake zijn van een formele omgangsregeling op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek. Bovendien is ook een verwekker onder bepaalde omstandigheden op grond van artikel 1:394 Burgerlijk Wetboek onderhoudsplichtig voor een kind. Verder is, los van de innerlijke tegenstrijdigheid in de maatregel met de aanvullende toelichting en de onjuistheid van de redenering, van beide situaties volgens eiser ook helemaal geen sprake. Hij zegt immers dat hij met zijn vrouw en kind in Nijmegen woont en zijn gezinsleven wil uitoefenen. Dat had, zo blijkt ook uit hetgeen hiervoor is overwogen, juist tot nader onderzoek moeten nopen door eiser uitvoeriger te bevragen.
19. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de maatregel, mede gelet op het voorgaande, een specifieke motivering van de minister (zie rechtsoverweging 4) waarom volgens hem een inbreuk op het gezinsleven van eiser door het opleggen van de maatregel gerechtvaardigd is en niet kan worden volstaan met een lichter middel.
20. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 19 november 2025.
21. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 20 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2x € 130,- (verblijf politiecel) en 18 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.060,-.
22. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.