6.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als achttienjarige schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door de aangever met een mes in de bovenarm te steken. De verdachte is, terwijl in eerste instantie weinig tot niets te maken had met de ruzie die gaande was tussen de aangever en een groepje jongeren, toch op de aangever afgestapt en heeft hem direct in zijn bovenarm gestoken. De aangever heeft als gevolg van het steekincident ernstig bloedverlies geleden, is direct geopereerd en heeft een litteken overgehouden aan de steekwond. Het incident vond plaats bij een winkelcentrum waar – blijkens de beelden – op dat moment meerdere mensen aan het winkelen waren. De verdachte heeft hierdoor gevoelens van angst en onrust veroorzaakt, niet alleen bij de aangever, maar ook bij de omstanders die bij het winkelcentrum waren en het steekincident en de hevig bloedende aangever hebben zien.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juni 2025. De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten temeer nu daar ook sprake was van het steken met een mes.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het (dubbel) Pro Justitia rapport van 12 september 2025. Daaruit volgt – kort samengevat – dat bij de verdachte sprake is van een zwakbegaafd (en disharmonisch) intellectueel functioneren, een gestagneerde sociaal-emotionele en morele ontwikkeling, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Daarbij hebben traumatische ervaringen uit het verleden mogelijk bijgedragen aan negatieve (vijandige) attributies. Als gevolg hiervan rechtvaardigt de verdachte zijn handelen en kan hij de gevolgen en consequenties van zijn gedrag niet overzien. Voornoemde problematiek was aanwezig ten tijde van het gepleegde feit en daarom wordt geadviseerd het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als matig-hoog ingeschat. Verder wordt geadviseerd om het adolescentenstrafrecht toe te passen en de verdachte te veroordelen volgens het jeugdstrafrecht. De combinatie van handelingsvaardigheden, die wijzen op een functioneren op meerdere ontwikkelingsdomeinen als jonger dan de kalenderleeftijd, en de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden geven hiertoe aanleiding. Daarnaast worden er geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht gezien. Ten aanzien van de straf wordt geadviseerd een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, omdat het noodzakelijk is dat intensieve begeleiding, behandeling, toezicht en ondersteuning in een strak kader wordt voortgezet.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 oktober 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige op de terechtzitting van 3 november 2025 is gegeven. De Raad onderschrijft de adviezen uit het Pro-Justitia rapport grotendeels. De Raad adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling en begeleiding, een contactverbod, een locatieverbod en -gebod, het volgen van onderwijs en het meewerken aan middelencontrole. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht, maar het is wel van groot belang dat de verdachte onder voorwaarden kan profiteren van intensieve begeleiding en behandeling om verder tot ontwikkeling te komen.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank volgt de conclusies van de psycholoog en psychiater voor wat betreft de toerekenbaarheid en zal de feiten daarom in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR zaken
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen.
Gelet op voornoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Uit de oriëntatiepunten volgt dat er bij een (poging) zware mishandeling met gebruikmaking van een wapen in beginsel jeugddetentie wordt opgelegd.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank – met de officier van justitie en de advocaat van de verdachte – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan jeugddetentie. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 220 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
PIJ-maatregel
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om, zoals gevorderd door de officier van justitie, aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel, zoals vermeld in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan.
De bewezenverklaarde feiten betreffen onder meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de deskundigen over de verdachte hebben opgenomen in de rapportages, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, te weten een zwakbegaafd (en disharmonisch) intellectueel functioneren, een gestagneerde sociaal-emotionele en morele ontwikkeling, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Daarnaast eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel.
Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat de verdachte gebaat is bij intensieve ondersteuning, behandeling en begeleiding in een kader met strakke voorwaarden. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook de geadviseerde voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. De voorwaardelijke PIJ-maatregel fungeert als een dwingend kader voor de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen. De voorwaardelijke PIJ-maatregel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Als tijdens de proeftijd de behandeling van de verdachte (verwijtbaar) onvoldoende van de grond komt of als blijkt dat hij toch in aanraking komt met justitie en politie, dan wacht hem de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel waarbij de behandeling en begeleiding niet meer ambulant zal plaatsvinden.
Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbindt de rechtbank een proeftijd van twee jaar. De verdachte moet zich gedurende die proeftijd aan bijzondere voorwaarden houden, zoals hierna genoemd in de beslissing. Dit strakke kader is noodzakelijk om het hoge recidiverisico te beperken en hiermee krijgt de verdachte de kans om zich in te zetten voor de voor hem noodzakelijk geachte behandeling.
De rechtbank overweegt dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van meerdere misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat in het geval van tenuitvoerlegging, verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe rechtbank zal tevens bevelen dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank komt tot die conclusie gezien de ernst van het gepleegde feit, de eerdere veroordeling alsmede het door de psycholoog en de psychiater en de jeugdreclassering geschatte recidiverisico (matig-hoog) en de in dat verband geschetste noodzaak tot het starten van een intensieve ondersteuning, behandeling en begeleiding.
De rechtbank verwijst daarvoor naar de wettekst van de artikelen 77x lid 2, 77z en 77za van het Wetboek van Strafrecht en naar de kamerstukken 32 319, nr. 3. Hieruit volgt dat het doel van het dadelijk uitvoerbaar verklaren is om te voorkomen dat een veroordeelde door het instellen van hoger beroep zich aan het toezicht van justitie onttrekt. De rechtbank vindt dat dit doel, zoals ook door de deskundigen ter terechtzitting onderstreept, bestaat bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet met zoveel woorden is genoemd in deze kamerstukken betekent niet zonder meer dat bedoeld is om deze uit te sluiten van de mogelijkheid uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zeker niet als deze kamerstukken worden bezien in het licht van de nota van wijziging (kamerstukken 33 498, nr. 7), waarin wordt beoogd de gedragsbeïnvloedende maatregel meer in lijn te brengen met de regeling die is neergelegd in 77za van het Wetboek van Strafrecht.