Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen
[minderjarige]( [minderjarige] ), voorheen wonende te [plaats 1] en thans wonende te [plaats 2] , eiseres
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 16 december 2025, wordt het beroep van eiseres, in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, gegrond verklaard. De zaak betreft de ingangsdatum van de toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp. Eiseres is het niet eens met de beslissing van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD) die het pgb pas met ingang van 1 november 2024 heeft toegekend. De rechtbank oordeelt dat de ISD ten onrechte deze ingangsdatum heeft vastgesteld en dat het pgb in plaats daarvan per 1 april 2024 moet ingaan, zoals oorspronkelijk in het primaire besluit was aangegeven.
Het procesverloop begint met een besluit van de ISD van 26 maart 2024, waarin een indicatie voor jeugdhulp wordt toegekend aan de minderjarige. Na een bezwaarprocedure wordt het aantal uren jeugdhulp verhoogd, maar de ingangsdatum blijft een punt van geschil. De rechtbank behandelt het beroep op 3 november 2025 en sluit het onderzoek op 4 november 2025. De rechtbank concludeert dat de ISD bij de heroverweging van het besluit niet voldoende rekening heeft gehouden met de oorspronkelijke aanvraagdatum en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een andere ingangsdatum rechtvaardigen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de ISD en stelt de ingangsdatum van het pgb vast op 1 april 2024. Tevens wordt de ISD veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten aan eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige besluitvorming door bestuursorganen en de noodzaak om de ingangsdatum van voorzieningen in overeenstemming te brengen met de aanvraagdatum, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen.