ECLI:NL:RBDHA:2025:23435

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
24/8782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van persoonsgebonden budget (pgb) en ingangsdatum in bestuursrechtelijke context

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 16 december 2025, wordt het beroep van eiseres, in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, gegrond verklaard. De zaak betreft de ingangsdatum van de toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp. Eiseres is het niet eens met de beslissing van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD) die het pgb pas met ingang van 1 november 2024 heeft toegekend. De rechtbank oordeelt dat de ISD ten onrechte deze ingangsdatum heeft vastgesteld en dat het pgb in plaats daarvan per 1 april 2024 moet ingaan, zoals oorspronkelijk in het primaire besluit was aangegeven.

Het procesverloop begint met een besluit van de ISD van 26 maart 2024, waarin een indicatie voor jeugdhulp wordt toegekend aan de minderjarige. Na een bezwaarprocedure wordt het aantal uren jeugdhulp verhoogd, maar de ingangsdatum blijft een punt van geschil. De rechtbank behandelt het beroep op 3 november 2025 en sluit het onderzoek op 4 november 2025. De rechtbank concludeert dat de ISD bij de heroverweging van het besluit niet voldoende rekening heeft gehouden met de oorspronkelijke aanvraagdatum en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een andere ingangsdatum rechtvaardigen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de ISD en stelt de ingangsdatum van het pgb vast op 1 april 2024. Tevens wordt de ISD veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten aan eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige besluitvorming door bestuursorganen en de noodzaak om de ingangsdatum van voorzieningen in overeenstemming te brengen met de aanvraagdatum, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres]in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[minderjarige]( [minderjarige] ), voorheen wonende te [plaats 1] en thans wonende te [plaats 2] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. van ’t Laar),
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek,de ISD
(gemachtigde: mr. P.J.J.P. van der Zalm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de toekenning van het persoonsgebonden budget (pgb). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ISD ten onrechte het aangepaste pgb pas heeft toegekend met ingang van 1 november 2024. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 26 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de ISD ten behoeve van [minderjarige] , geboren 23 oktober 2018, een indicatie in de vorm van een pgb toegekend. De toekenning betreft een tweetal jeugdhulpvoorzieningen op grond van de Jeugdwet (Jw) met ingang van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025 bestaande uit 3 uren in de week jeugd GGZ-behandeling specialistisch en 3 uren in de week jeugdhulp ambulant regulier, waarbij eiseres de zorg verleent aan het kind.
2.1.
Bij besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit 1) heeft de ISD, met verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 31 oktober 2024, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit houdt in dat de jeugdhulp ambulant regulier is opgehoogd van 3 uren in de week naar 13 uren en 15 minuten per week voor de periode 1 november 2024 tot en met 31 maart 2025.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
2.3.
Bij besluit van 28 november 2024 (het bestreden besluit 2) heeft de ISD het bestreden besluit 1 gewijzigd in die zin dat het aantal uren jeugdhulp ambulant regulier van 13 uren en 15 minuten per week is verhoogd naar 16 uren en 15 minuten per week voor de periode 1 november 2024 tot en met 31 maart 2025.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , vader van [minderjarige] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de ISD. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 4 november 2025, nadat de rechtbank een aanvullende reactie van de ISD had ontvangen ten aanzien van het pgb tarief.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop, gelet op het nader genomen bestreden besluit 2, dat het bestreden besluit 1 ten aanzien van het aantal uren jeugdhulp ambulant regulier, geen stand kan houden en dat het beroep reeds daarom gegrond is. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank hierna het aangepaste besluit beoordelen. Daarbij wordt bestreden besluit 2 verder aangeduid als ‘bestreden besluit’.
Hoogte tarief pgb
4. Ter zitting is met partijen de beroepsgrond van eiseres tegen de hoogte van het tarief besproken. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de hoogte van het tarief over de periode 1 oktober 2024 tot 1 januari 2025 geen geschilpunt meer is als het tarief vanaf 1 januari 2025 wordt geïndexeerd. De ISD heeft de rechtbank na de zitting per e-mail meegedeeld dat voor de periode 1 januari 2025 tot 14 februari 2025 (dag van verhuizing naar [plaats 2] ) het tarief van € 25,23 per uur gehanteerd kan worden in plaats van het oude tarief van € 23,93 per uur uit 2024. Het geschilpunt over de hoogte van het tarief is daarmee komen te vervallen en de rechtbank hoeft dit daarom niet meer te bespreken.
Ingangsdatum van de toekenning
5. Eiseres is het oneens met de ingangsdatum. Zij stelt dat het pgb had moeten ingaan per 1 april 2024, tevens de ingangsdatum genoemd in het primaire besluit. Deze beroepsgrond slaagt.
5.1.
Niet in geschil is dat de gevraagde jeugdhulpvoorzieningen in dit geval noodzakelijk waren en daarom ook zijn verstrekt. Blijkens het bestreden besluit is in het kader van de bezwaarprocedure gesproken over de omvang van de noodzakelijke jeugdhulp. Daarbij kwam onder meer ter sprake wat onder gebruikelijke jeugdhulp valt en wat niet. Het resultaat was dat er tussen partijen overeenstemming is bereikt over de omvang van de jeugdhulp, te weten 16 uren en 15 minuten per week. Niet valt in te zien waarom deze jeugdhulp in het bestreden besluit is verstrekt met ingang van de dag na de datum van bestreden besluit 1, en niet met ingang van de aanvraagdatum 1 april 2024. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bezwaarprocedure bedoeld is om een (primair) besluit te heroverwegen. Daarbij ligt het niet voor de hand dat een wijziging van de omvang van de verstrekte jeugdhulp pas wordt geëffectueerd vanaf de datum van de beslissing op het bezwaar, en niet vanaf de oorspronkelijke aanvraagdatum, tenzij daarvoor wegens bijzondere omstandigheden aanleiding zou bestaan. Van zulke bijzondere omstandigheden is echter niet gebleken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de ISD bij nader inzien met eiseres tot de conclusie is gekomen dat het aantal uren jeugdhulp diende te worden verhoogd naar (uiteindelijk) 16 uren en 15 minuten per week. Dat sprake zou zijn van een compromis tussen partijen of van een beslissing uit overwegingen van coulance, heeft de rechtbank niet kunnen afleiden uit het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, waaraan de ISD zich heeft geconformeerd. Voor zover de ISD heeft gesteld dat de ouders van [minderjarige] bij de aanvraag onvoldoende informatie hebben gegeven over de praktische problematiek waarmee zij worden geconfronteerd, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanleiding om niet aan te sluiten bij de oorspronkelijke ingangsdatum 1 april 2024. Het behoort tot de taak van het bestuursorgaan om reeds in het kader van de beoordeling van de aanvraag, en niet pas in een bezwaarprocedure, de noodzakelijke hulp in kaart te brengen en aan de hand daarvan te onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.
5.2.
Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit, voor zover daarbij de ingangsdatum van de toegekende jeugdhulpvoorziening is bepaald op 1 november 2024, niet in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarbij met ingang van 1 november 2024 een pgb is toegekend. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt de ingangsdatum van het pgb van 16 uren en 15 minuten voor jeugdhulp ambulant regulier op 1 april 2024.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de ISD het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De ISD moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De proceskosten in bezwaar heeft de ISD reeds vergoed bij het bestreden besluit 1. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en hij is ter zitting verschenen. De reiskosten die de vader van het kind heeft gemaakt voor het bezoeken van de zitting van € 66,42 (retour [plaats 2] -Den Haag) komen ook voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.880,42,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin is beslist dat de pgb toegekend wordt per 1 november 2024;
- bepaalt de ingangsdatum van de pgb op 1 april 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de ISD het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de ISD tot betaling van € 1.880,42,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.