Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 maart 2025, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord van 28 mei 2025, met producties 1 tot en met 4;
- het tussenvonnis van 18 juni 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de akte houdende overlegging producties van de zijde van [eisende partij] van 9 oktober 2025, met producties 6 tot en met 11.
2.De feiten
3.Het geschil
goodwillvergoeding c.q. beëindigingsvergoeding aan [eisende partij] betaald. Dalsem Beheer is, in haar hoedanigheid van oud-bestuurder van Dalsem Horticultural, voor de schade van [eisende partij] aansprakelijk.
4.De beoordeling
we need to cancel our contract of representation of Dalsem in Turkey” en “
The costs related to the Dalsem office in [plaats 1] as well as all marketing and sales costs will be compensated (…)”. Met Dalsem Beheer is de rechtbank van oordeel dat deze bewoordingen niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat dit gaat over de LOI. Dit was, zoals Dalsem Beheer onbestreden heeft aangevoerd, de enige tussen [eisende partij] en het Dalsem-concern bestaande overeenkomst (“
contract”); er was tussen hen niets anders te beëindigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een redelijke uitleg met zich brengt dat met de beëindigingsovereenkomst bedoeld is de rechtsverhouding die tussen Dalsem Greenhouse (als
de factorechtsopvolger van Dalsem Horticultural) en [eisende partij] bestond te beëindigen.
goodwillvergoeding c.q. beëindigingsvergoeding ten behoeve van [eisende partij] . De rechtbank concludeert dat ook op het punt van voortzetting van de activiteiten van Dalsem Horticultural door Dalsem Greenhouse en de beëindiging van de LOI geen sprake is van onrechtmatig handelen door Dalsem Beheer jegens [eisende partij] .
goodwillvergoeding van € 20.000,- betaald en ten vierde is in die overeenkomst met zoveel woorden opgenomen dat [eisende partij] nog altijd projecten kan aandragen bij het Dalsem-concern, tegen betaling van provisie (zie onder 2.6).