Partijen zijn van 2017 tot 2023 gehuwd geweest onder huwelijkse voorwaarden en hebben samen minderjarige kinderen. De man is eigenaar van de woning. Na de echtscheiding in mei 2023 mocht de vrouw de woning maximaal zes maanden gebruiken. De vrouw verliet de woning in december 2023, keerde in januari 2024 terug en woont sindsdien gezamenlijk met de man in de woning. De man stelde de vrouw in september 2025 schriftelijk in kennis van de voorgenomen verkoop van de woning en gaf haar tot 30 november 2025 om te vertrekken.
De vrouw maakte bezwaar en stelde een woonrecht te hebben, maar kon dit niet aannemelijk maken. De man verkocht de woning eind oktober 2025 aan een derde, met levering uiterlijk 2 maart 2026. De man vorderde ontruiming van de woning, terwijl de vrouw verzocht om een verbod op verkoop en betreden van de woning door de man zonder toestemming.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw de woning moet verlaten omdat de overeengekomen termijn van voortgezet gebruik was verstreken en zij geen woonrecht aannemelijk had gemaakt. De ontruiming moet uiterlijk 1 februari 2026 plaatsvinden, conform afspraken tijdens de mondelinge behandeling. De vorderingen van de vrouw werden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.