ECLI:NL:RBDHA:2025:23483

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/09/692561 / KG ZA 25-983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot uitvoering van een vervolgingsbevel in kort geding met betrekking tot lastercampagne

In deze zaak vorderen eisers, bestaande uit [eiser], ATRH HOLDING B.V., SOLIDNATURE B.V. en REVEALROX DMCC, dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) wordt geboden uitvoering te geven aan een eerder door het hof gegeven vervolgingsbevel. Dit vervolgingsbevel betreft de strafrechtelijke vervolging van [naam 1] voor verschillende strafbare feiten, waaronder smaad, laster, belaging, afpersing, valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie. Eisers stellen dat zij slachtoffer zijn van een grootschalige lastercampagne die hun reputatie ernstig heeft geschaad. De procedure is gestart na een klachtprocedure op basis van artikel 12 Sv, waarin eisers het OM verzochten om vervolging van [naam 1] voor alle strafbare feiten die in de aangifte zijn genoemd. Het OM heeft echter besloten om alleen voor smaad te vervolgen, wat volgens eisers in strijd is met het vervolgingsbevel. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vraag of het OM kan volstaan met vervolging voor alleen smaad, moet worden voorgelegd aan het hof via de bewilligingsprocedure van artikel 243 lid 5 Sv. De voorzieningenrechter gebiedt de Staat te wachten met het uitbrengen van de dagvaarding tegen [naam 1] totdat het hof heeft beslist op het bewilligingsverzoek van het OM. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/692561 / KG ZA 25-983
Vonnis in kort geding van 10 december 2025
in de zaak van

1.[eiser] te [plaats] ( [land] ),2. ATRH HOLDING B.V. te Amsterdam,

3.
SOLIDNATURE B.V.te Amsterdam,
4.
REVEALROX DMCCte Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
eisers,
hierna te noemen [eiser] , ATRH, SolidNature en RevealRox en samen: [eisers] c.s.,
advocaten: mr. D.V.A. Brouwer en mr. O.S. Pluimer,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. M.F.H. Hirsch Ballin.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 oktober 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de akte houdende vermeerdering van eis.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd, en partijen hebben over en weer hun standpunten toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 8 februari 2018 hebben [eiser] , en de aan hem gelieerde vennootschappen ATRH, SolidNature en RevealRox, bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte, smaad, smaadschrift, laster, afpersing, belaging en deelname aan een criminele organisatie tegen (onder meer) de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) Deze aangifte is aangevuld op 21 maart 2018 en 3 juni 2019, waarbij ook bedreiging aan de aangifte is toegevoegd.
2.2.
De feiten waarvan [eisers] c.s. aangifte hebben gedaan zien op een lastercampagne, waarin zij onder meer via de website van de niet-bestaande organisatie Global Advisory Board Middle East (hierna: GABME) en via e-mail en Twitter beschuldigd werden van criminele activiteiten waaronder fraude en oplichting. Daarnaast hebben [eisers] c.s. de aangifte gebaseerd op een artikel in het tijdschrift Quote.
2.3.
Met betrekking tot voormelde lastercampagne hebben [eisers] c.s. verschillende civiele procedures gevoerd tegen (onder meer) [naam 1] . Bij vonnis van 13 april 2023 heeft de rechtbank Amsterdam in een zaak tussen [eiser] en [naam 1] voor recht verklaard dat [naam 1] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die door [eiser] geleden is als gevolg van de in dat vonnis beschreven lastercampagne en [naam 1] veroordeeld tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) van 9 januari 2024. [1]
2.4.
Op 29 juli 2019 hebben [eisers] c.s. op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) twee gelijkluidende klachten ingediend bij het hof wegens het uitblijven van reactie op voormelde aangiften. Deze klachten zijn nadien aangevuld.
2.5.
Bij brief van 10 februari 2021 heeft de advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam zijn verslag aan het hof gezonden en geadviseerd om het beklag af te wijzen op gronden van opportuniteit.
2.6.
Bij beschikking van 12 april 2022 heeft het hof de officier van justitie bevolen [naam 1] te vervolgen “
ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft”. Hiertoe heeft het hof het volgende overwogen:

Klagers hebben aangifte gedaan van valsheid in geschrift, smaad, smaadschrift, laster, belaging, afpersing en deelname aan een criminele organisatie, (onder andere) gepleegd door beklaagde.
Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het ambtsbericht.
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen — al dan niet na nader onderzoek – tot een veroordeling voor enig strafbaar feit kan komen. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een
bevel tot vervolging worden gegeven.
(...)
Uit de stukken volgt dat beklaagde op verschillende momenten heeft bekend dat hij een lastercampagne tegen klagers heeft opgezet. Op basis van (onder meer) deze bekentenissen zou de strafrechter tot een bewezenverklaring kunnen komen. Het is bij uitstek de strafrechter die de afweging kan maken of het voorhanden bewijsmateriaal daarvoor voldoende is en zo ja welke bestraffing daarbij past.
Indien bewezen, gaat het om het opzetten van een voor klagers zeer schadelijke lastercampagne. Daarmee is er voldoende algemeen belang bij strafvervolging.
2.7.
Met betrekking tot voormelde lastercampagne hebben [eisers] c.s. ook aangiftes gedaan tegen een aantal andere personen. Over het uitblijven van de vervolging van deze personen hebben [eisers] c.s. op de voet van artikel 12 Sv beklagprocedures geëntameerd. Het hof heeft het beklag in deze procedures afgewezen.
2.8.
Bij beschikking van eveneens 12 april 2022 heeft het hof de klacht tegen een van de beklaagden afgewezen. In deze beschikking heeft het hof voor zover hier van belang het volgende overwogen:

Klagers hebben een omvangrijke aangifte met bijlagen opgesteld. Hieruit is ten opzichte van beklaagde een verklaring van [naam 1] te destilleren die hem in verband brengt met strafbare gedragingen. Voor deze verklaring geldt echter dat [naam 1] niet consequent is in zijn aantijgingen en dat de verklaring niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Beklaagde is in raadkamer gehoord. Hij ontkent de beschuldigingen. Bij deze stand van zaken zal de strafrechter op dit moment niet tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit kunnen komen. Daar is in ieder geval nader onderzoek voor nodig. Het hof zal daartoe echter geen opdracht geven. Daarbij is het volgende van belang.
Het hof ziet op dit moment onvoldoende aanknopingspunten om een strafrechtelijk onderzoek te openen dat voldoende wettig en overtuigend bewijs zal opleveren. Ook zal nader onderzoek, gelet op de aard van de aantijgingen en de verscheidenheid ervan, een grote en tijdrovende inzet van het opsporingsapparaat vergen. Het is maar zeer de vraag of nader onderzoek ruim vier jaar na dato nog bruikbaar en betrouwbaar (steun)bewijs zal opleveren.
2.9.
Naar aanleiding van het bevel van 12 april 2022 om [naam 1] te vervolgen (hierna: het Vervolgingsbevel) is het Openbaar Ministerie (OM) een opsporingsonderzoek gestart, waarbij [naam 1] en [naam 2] als verdachte zijn gehoord.
2.10.
Op 25 april 2024 heeft het OM processtukken en een concepttenlastelegging gedeeld met (de advocaat van) [eisers] c.s.
2.11.
In een uitvoerig gemotiveerde brief van 27 januari 2025 hebben de advocaten van [eisers] c.s. aan het OM te kennen gegeven dat de concepttenlastelegging onvolledig is en in strijd met het Vervolgingsbevel. Volgens de advocaten kan niet worden volstaan met een vervolging ter zake van smaad(schrift) in de periode van 30 november 2017 tot en met 5 december 2017. In de brief hebben de advocaten van [eisers] c.s. het standpunt ingenomen dat [naam 1] op grond van het Vervolgingsbevel ook voor laster vervolgd dient te worden en dat de pleegperiode dient te worden uitgebreid.
2.12.
Bij brief van 25 februari 2025 heeft de officier van justitie aan de advocaten van [eisers] c.s. meegedeeld dat de tenlastelegging niet kan worden uitgebreid om dat daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. In deze brief heeft de officier van justitie onder meer toegelicht dat de bekentenis van [naam 1] die voor het hof reden was om het vervolgingsbevel af te geven tijdens het onderzoek ter discussie is komen te staan, waardoor deze bekentenis geen vast gegeven (meer) is.
2.13.
In de nadien gevoerde verdere correspondentie hebben de advocaten van [eisers] c.s. het standpunt ingenomen dat de feiten ook kwalificeren als laster en dat er ook bewijs is van deelname aan een criminele organisatie. Uiteindelijk hebben de advocaten van [eisers] c.s. in juli aangekondigd een kort geding aanhangig te maken, indien de officier van justitie niet zou overgaan tot aanpassing van de tenlastelegging, dan wel zou overgaan tot dagvaarding zonder uitbreiding van de tenlastelegging en zonder de bewilligingsprocedure van artikel 243 lid 5 Sv te doorlopen.
2.14.
Bij brief van 29 juli 2025 heeft de officier van justitie aan de advocaten van [eisers] c.s. meegedeeld dat het standpunt van het OM ten aanzien van de tenlastelegging ongewijzigd blijft. In deze brief heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar een zich in het strafdossier bevindende verklaring van [naam 1] met betrekking tot de GABME-website en het daarop vermelde rapport ‘International Security and Fraud Alert’. De betreffende verklaring van [naam 1] luidt als volgt:

[naam 3] (...) en ene [naam 4] uit Rotterdam, die ook werkt voor het bedrijf [bedrijfsnaam] , hebben mij gevraagd om toe te geven dat ik achter de website zat. Als ik dat zou doen dan zou [eiser] alle aanklachten laten vervallen en stoppen met procederen. Ik heb ingestemd. Op dat moment had ik andere dingen aan mijn hoofd, waaronder de ziekte van mijn zoon en heb ik toegegeven. Er is echter geen enkel bewijs dat ik achter de oprichting zit. Ik heb er namelijk niets mee te maken.
Verder heeft de officier van justitie in de brief meegedeeld dat de landsadvocaat de Staat zal vertegenwoordigen in een eventueel kort geding.
2.15.
In afwachting van de uitkomst van dit kort geding heeft de officier van justitie op verzoek van [eisers] c.s. het uitbrengen van de dagvaarding in de zaak tegen [naam 1] aangehouden.

3.Het geschil

3.1.
Na vermeerdering van eis vorderen [eisers] c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair:
de Staat te gebieden uitvoering te geven aan het Vervolgingsbevel door aan [naam 1] een tenlastelegging uit te brengen op grond waarvan hij strafrechtelijk terecht dient te staan voor alle strafbare feiten waarvan het hof zijn vervolging heeft bevolen (te weten smaad,
smaadschrift, laster, belaging, afpersing, valsheid in geschrift en deelneming aan een
criminele organisatie), behoudens voor zover het hof na een daartoe strekkend verzoek van de Staat (het OM) alsnog op de voet van artikel 243 lid 5 Sv heeft bewilligd in het afzien van de vervolging voor een of meer van deze strafbare feiten;
subsidiair:
de Staat te verbieden om zonder bewilliging als bedoeld in artikel 243 lid 5 Sv van het hof aan [naam 1] een tenlastelegging uit te brengen die in strijd is met het Vervolgingsbevel, dat wil zeggen een tenlastelegging waarin [naam 1] alleen terecht dient te staan voor het strafbare feit van smaad(schrift) en niet ook voor de andere strafbare feiten (laster, belaging, afpersing, valsheid in geschrift en deelneming aan een criminele organisatie) waarvan het hof de vervolging heeft bevolen;
meer subsidiair:
de Staat te gebieden te wachten met het uitbrengen van de dagvaarding tegen [naam 1] totdat het hof heeft beslist op een door [eisers] c.s. nieuw te entameren procedure op grond van artikel 12 Sv ten aanzien van het niet (verder) vervolgen voor de strafbare feiten laster, belaging, afpersing, valsheid in geschrift en deelneming aan een criminele organisatie, waarin de Staat de ontvankelijkheid van [eisers] c.s. en van het beklag niet zal betwisten;
meest subsidiair:
zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter gelet op de belangen van
[eisers] c.s. als slachtoffers en benadeelde partijen van de lastercampagne in de strafzaak tegen [naam 1] juist acht;
een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag.
[eisers] c.s. zijn slachtoffer van een grootschalige lastercampagne, die zeer schadelijk is voor hun (zakelijke) reputatie. Dit volgt uit het bewijs dat [eisers] c.s. hebben verzameld en de daaropvolgende civielrechtelijke veroordelingen. Door [naam 1] alleen te dagvaarden voor smaad en niet ook voor – in ieder geval – laster en deelname aan een criminele organisatie, handelt het OM in strijd met het Vervolgingsbevel en daarmee onrechtmatig jegens [eisers] c.s. als slachtoffers en benadeelde partijen van de strafbare feiten. Indien het OM niet overeenkomstig het Vervolgingsbevel tot vervolging wenst over te gaan, dient de officier van justitie op de voet van artikel 243 lid 5 Sv om bewilliging te vragen en te krijgen van het hof. Indien in dit kort geding geoordeeld wordt dat [eisers] c.s. hun vorderingen in een nieuw beklag als bedoeld in artikel 12 Sv aan de orde dienen te stellen, dan dient de Staat die procedure af te wachten en dient het hem te worden verboden daarin de ontvankelijkheid van [eisers] c.s. en van het beklag te betwisten.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eisers] c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. De voorzieningenrechter is daarmee bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen. Voor [eisers] c.s. staat geen andere met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang open die kan leiden tot een resultaat dat vergelijkbaar is met wat zij in dit kort geding hebben gevorderd. In dit verband is van belang dat de Staat zich tot aan de mondelinge behandeling op het standpunt heeft gesteld dat het OM niet kan worden verplicht om met het uitbrengen van de dagvaarding in de strafzaak tegen [naam 1] te wachten totdat op een nieuwe artikel 12 Sv-procedure is beslist. [eisers] c.s. zijn daarom in zoverre ook ontvankelijk in hun vorderingen.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of het OM (als orgaan van de Staat) ter uitvoering van het Vervolgingsbevel kan volstaan met een vervolging voor alleen smaad(schrift) dan wel of hij daarvoor op de voet van artikel 243 lid 5 Sv bewilliging aan het hof moet vragen. Verder zijn partijen het erover oneens of in het geval dat het OM niet gehouden is om bewilliging aan het hof te vragen, het OM moet wachten met het dagvaarden van [naam 1] tot het hof in een door [eisers] c.s. te entameren nieuwe artikel 12 Sv-procedure heeft beslist.
4.3.
Het geschil spitst zich toe op de uitleg van het Vervolgingsbevel en de vrijheid die het OM heeft bij de uitvoering ervan. [eisers] c.s. verwijten het OM dat het onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan het Vervolgingsbevel, omdat het OM in hun visie vervolging dient in te stellen voor alle feiten waarvan aangifte is gedaan, zij het dat zij tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat er geen vervolging wordt ingesteld voor afpersing en bedreiging. Hiertegenover heeft de Staat zich op het standpunt gesteld dat het hier om een algemeen vervolgingsbevel gaat, dat het OM ook na een vervolgingsbevel de ruimte behoudt om een eigen afweging te maken ten aanzien van de opportuniteit en dat er in dit geval sprake is van nieuwe omstandigheden (de intrekking van een bekentenis) die maken dat de vervolging voor meer dan smaad(schrift) niet opportuun is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de vraag of het OM mag volstaan met vervolging van [naam 1] voor enkel smaad(schrift) en niet tevens laster moet worden voorgelegd aan het hof dat het Vervolgingsbevel heeft gegeven en dat dit dient te geschieden via de weg van artikel 243 lid 5 Sv. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.4.
De beklagprocedure van artikel 12 (en verder) Sv vormt een correctiemiddel tegen de nadelen die voortvloeien uit het beginsel dat de vervolging bij uitsluiting bij de Staat berust (het vervolgingsmonopolie: een belanghebbende kan niet zelf een zaak aan de strafrechter voorleggen) en het opportuniteitsbeginsel (de discretionaire bevoegdheid van het OM om te beslissen of een zaak strafrechtelijk (verder) wordt vervolgd en – zo ja – ter zake van welk(e) feit(en). Als tegenwicht voor de grote macht waarover het OM op basis van deze beginselen beschikt, verschaft de beklagprocedure belanghebbenden een middel om het optreden van het OM te laten controleren. Die controle (dat toezicht) wordt uitgeoefend door de gerechtshoven. In de beklagprocedure beoordeelt het hof de in het kader van de vervolgingsbeslissing gemaakte afweging van het OM volledig, dus met inbegrip van de aspecten die zien op de opportuniteit van de vervolging. Hierbij kan het hof specificeren voor welk delict er moet worden vervolgd. Op grond van artikel 12i lid 3 Sv kan het hof ook een specifieke vervolgingsdaad gelasten. Na een vervolgingsbevel komt het OM bij de uitvoering van het bevel enige vrijheid toe. Deze vrijheid wordt beperkt door de bewoordingen waarin het bevel is vervat. Indien het OM na een vervolgingsbevel (alsnog) van verdere vervolging wil afzien, dient het OM op de voet van artikel 243 lid 5 Sv hiervoor bewilliging te vragen aan en te verkrijgen van het hof. Net als in het door partijen aangehaalde kortgedingvonnis van 26 november 2010 [2] neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat het OM gehouden is om een vervolgingsbevel naar de letter en de geest, en dus loyaal, uit te voeren.
4.5.
Het Vervolgingsbevel betreft een algemeen, niet gespecificeerd, vervolgingsbevel in de zin van artikel 12i lid 1 Sv. Het hof heeft immers geen opdracht gegeven om [naam 1] te dagvaarden en het bevel bevat ook geen verplichting om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. In het Vervolgingsbevel heeft het hof het OM gelast om [naam 1] te vervolgen ter zake van “de feiten waarop het beklag betrekking heeft”. Het hof heeft daarmee niet gespecificeerd voor welk delict moet worden vervolgd. Anders dan [eisers] c.s. hebben betoogd zijn “de feiten waarop het beklag betrekking heeft” niet zonder meer gelijk te stellen met de strafbare feiten waarvan [eisers] c.s. aangifte heeft gedaan. Voor de feiten heeft het hof immers verwezen naar de inhoud van een ambtsbericht, dat in dit kort geding niet is overgelegd. Het primair door [eisers] c.s. gevorderde bevel – strekkende tot vervolging van alle strafbare feiten waarvan aangifte is gedaan – is alleen al daarom niet toewijsbaar.
4.6.
Uit de overwegingen van het hof volgt dat het Vervolgingsbevel betrekking heeft op de lastercampagne waarvan [naam 1] zou hebben bekend dat hij deze tegen [eisers] c.s. heeft opgezet. Op dit punt heeft het hof overwogen dat het – indien bewezen – gaat over een voor [eisers] c.s. zeer schadelijke lastercampagne en dat er daarom voldoende algemeen belang bestaat bij strafvervolging. Het gebruik van het woord ‘lastercampagne’ doet vermoeden dat het gaat om laster, die meerdere malen is gepleegd. Laster impliceert dat de dader de wetenschap had dat de geuite beschuldigingen in strijd waren met de waarheid. Door enkel een vervolging in te stellen voor smaad – waarbij die wetenschap niet aanwezig hoeft te zijn en waarvoor een veel minder hoge maximumstraf geldt dan voor laster – heeft het OM zeer beperkt uitvoering gegeven aan het Vervolgingsbevel. De afwegingen die het OM hiertoe heeft gemaakt, kunnen door de burgerlijke rechter, en dus ook in een kort geding als dit, slechts terughoudend worden getoetst.
4.7.
Op grond van het uitgangspunt dat het OM gehouden is om het Vervolgingsbevel loyaal uit te voeren en gelet op de bezwaren van [eisers] c.s. tegen de beperkte uitvoering ervan, valt niet uit te sluiten dat het OM mogelijk heeft gehandeld in strijd met de strekking van het Vervolgingsbevel. In dit verband is van belang dat [eisers] c.s. onweersproken hebben gesteld dat zij onder meer ten aanzien van laster bewijsmiddelen hebben aangeleverd en dat het OM daarnaar geen of slechts zeer beperkt onderzoek heeft gedaan. De voorzieningenrechter acht het daarom in dit geval aangewezen dat het hof, dat het Vervolgingsbevel heeft gelast, zich uitlaat over de voorgenomen uitvoering van dat bevel. Het is onduidelijk of [eisers] c.s. hiervoor opnieuw beklag kunnen doen bij het hof. Het is ook niet zeker dat [eisers] c.s. in een nieuw beklag ontvankelijk zijn. Zodra het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, kunnen [eisers] c.s. in ieder geval niet meer in hun klacht worden ontvangen. Daarmee dreigt voor [eisers] c.s. een lacune in de rechtsbescherming. De voorzieningenrechter acht het daarom passend dat het OM het hof om (gedeeltelijke) bewilliging verzoekt. Hierbij gaat de voorzieningenrechter voorbij aan het argument van de Staat dat de bewilligingsprocedure van artikel 243 lid 5 Sv alleen is bedoeld voor situaties waarin het OM geheel van vervolging wil afzien. Niet valt in te zien waarom deze bepaling zo beperkt moet worden uitgelegd, waarbij wel moet worden aangetekend dat (ook) dit aspect door het hof zal worden beoordeeld en deze beslissing in kort geding geenszins beoogt het hof, huiselijk uitgedrukt, voor de voeten te lopen.
4.8.
Op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter de hierna te vermelden voorziening toewijsbaar.
4.9.
De Staat is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:
- dagvaarding
144,47
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.143,47
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
gebiedt de Staat te wachten met het uitbrengen van de dagvaarding tegen [naam 1] totdat het gerechtshof Amsterdam heeft beslist op een binnen redelijke termijn door het OM in te dienen bewilligingsverzoek dat ertoe strekt dat met de vervolging van [naam 1] wegens smaad(schrift) kan worden volstaan;
5.2.
veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 2.143,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt de Staat tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
WJ

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 9 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:45.
2.Voorzieningenrechter rechtbank Den Haag 26 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5107.