Deze bestuursrechtelijke zaak betreft twee tijdelijke omgevingsvergunningen voor een vuurwerkbewaarplaats in Zoetermeer. Het college van burgemeester en wethouders verleende eerst een vergunning tot oktober 2024, die later werd verlengd tot juni 2027. Eiser maakte bezwaar tegen deze vergunningen, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk. De rechtbank behandelde het beroep op zitting en concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege het vervallen van het procesbelang.
De rechtbank oordeelde dat de eerste vergunning was verlopen en dat er geen procesbelang bestond omdat deze was opgevolgd door een tweede vergunning. Deze tweede vergunning was later ingetrokken, waardoor ook daarvoor het procesbelang verviel. Daarnaast was niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel over de vergunningen relevant zou zijn voor toekomstige vergunningaanvragen, mede omdat een nieuwe vergunning was verleend voor een andere locatie en andere activiteiten.
Eiser stelde dat zijn beroep ook betrekking had op de vergunning van december 2024, maar de rechtbank verwierp dit omdat deze vergunning was verleend op basis van een nieuwe aanvraag en geen rechtswege beroep mogelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, wees griffierecht en proceskostenvergoeding af, en sloot de zaak zonder inhoudelijke beoordeling af.