ECLI:NL:RBDHA:2025:23486

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/8433
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke omgevingsvergunningen voor vuurwerkbewaarplaats in Zoetermeer

Deze uitspraak betreft twee tijdelijke omgevingsvergunningen voor een vuurwerkbewaarplaats in Zoetermeer. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat het procesbelang is vervallen. De zaak begon met een besluit van 15 april 2024, waarbij het college van burgemeester en wethouders een tijdelijke omgevingsvergunning verleende voor de periode tot half oktober 2024. Deze vergunning werd later verlengd tot 15 juni 2027. Echter, op 14 mei 2025 werd omgevingsvergunning II ingetrokken, wat leidde tot de vraag of eiser nog procesbelang had bij zijn beroep. De rechtbank concludeerde dat, aangezien de vergunningen waren verlopen en er geen schade was aangetoond, eiser geen belang meer had bij de behandeling van zijn beroep. Bovendien werd vastgesteld dat er geen rechtswege beroep was ontstaan tegen een nieuwe omgevingsvergunning die op 6 december 2024 was verleend, omdat deze op basis van een nieuwe aanvraag was verleend en niet als een wijziging van eerdere vergunningen kon worden beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees de verzoeken om griffierecht en proceskostenvergoeding af, omdat het college niet tegemoet was gekomen aan het beroep van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

(gemachtigde: mr. A.O. Berghuis).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel:
Tuincentrum [bedrijf]uit [vestigingsplaats] (de vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee tijdelijke omgevingsvergunningen voor een vuurwerkbewaarplaats aan de [adres] in Zoetermeer. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege het vervallen van procesbelang. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 15 april 2024 (omgevingsvergunning I) heeft het college aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning voor het legaliseren van een vuurwerkbewaarplaats tot half oktober 2024 verleend.
2.1.
Bij besluit van 13 juni 2024 (omgevingsvergunning II) heeft het college de termijn van omgevingsvergunning I verlengd tot 15 juni 2027.
2.2.
Met het bestreden besluit van 11 september 2024 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de verleende tijdelijke omgevingsvergunningen niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij besluit van 14 mei 2025 is omgevingsvergunning II ingetrokken. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.5.
Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Nu partijen van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt en de rechtbank een nadere zitting niet nodig acht, is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
3. Omgevingsvergunning I is verleend voor de periode 15 april 2024 tot half oktober 2024. De looptijd van deze vergunning is verstreken. Dit betekent dat eiser in beginsel geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. Dit kan anders zijn als een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de verleende vergunning kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning en de toetsing daarvan.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat voor omgevingsvergunning I geen procesbelang kan worden ontleend aan het belang van een oordeel over die vergunning voor toekomstige aanvragen en vergunningen. Daarvoor is doorslaggevend dat omgevingsvergunning I is opgevolgd door omgevingsvergunning II. Het beroep van eiser heeft ook betrekking op omgevingsvergunning II, die voorziet in dezelfde activiteiten op dezelfde locatie. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat eiser schade heeft ondervonden van omgevingsvergunning I.
3.2.
Omdat omgevingsvergunning II is ingetrokken, moet ook met betrekking tot die vergunning de vraag worden beantwoord of een oordeel over de rechtmatigheid van deze vergunning van belang is voor eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend, omdat het niet aannemelijk is dat het college op een toekomstige aanvraag van vergunninghouder voor tijdelijke opslag van vuurwerk een besluit zal nemen dat inhoudelijk overeenkomt met omgevingsvergunning II. [1] Uit het dossier blijkt namelijk dat het college bij besluit van 6 december 2024 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het tuincentrum, waarbij mede wordt voorzien in tijdelijke vuurwerkopslag en in tijdelijk gebruik van grond voor buitenverkoop. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de locatie van de in samenhang met het verbouwen van het tuincentrum vergunde vuurwerkopslag ook niet gelijk is aan de locatie waarop omgevingsvergunning II betrekking had. Verder is met betrekking tot omgevingsvergunning II niet gesteld of gebleken dat eiser daarvan schade heeft ondervonden.
3.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.
Is sprake van een rechtswege beroep tegen de omgevingsvergunning van 6 december 2024?
4. Eiser betoogt dat zijn beroep ook betrekking heeft op de vuurwerkopslag die is opgenomen in de omgevingsvergunning van 6 december 2024. Volgens hem is sprake van een rechtstreeks verband tussen het slopen van de vuurwerkopslag waarop de eerdere vergunningen betrekking hadden en het bouwen van een nieuwe vuurwerkopslag op het terrein van het tuincentrum. Dat zijn beroep ook is gericht tegen de bij het besluit van
6 december 2024 vergunde vuurwerkopslag geldt volgens eiser temeer omdat de situering van de opslag nagenoeg hetzelfde is.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. Een beroep tegen de omgevingsvergunning van
6 december 2024 kan in deze procedure alleen voorliggen als sprake is van een rechtswege beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De omgevingsvergunning van 6 december 2024 kan niet worden aangemerkt als een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het in beroep bestreden besluit van
11 september 2024. Daarvoor is van belang dat de vergunning van 6 december 2024 is verleend op basis van een nieuwe aanvraag, waarbij er onvoldoende samenhang is met de eerder verleende omgevingsvergunningen I en II. De omgevingsvergunning van
6 december 2024 voorziet in meerdere activiteiten, waaronder in het verbouwen van het tuincentrum. Alleen al om die reden is geen sprake van een besluit dat voorziet in een ondergeschikte wijziging van een bouwplan, waarop artikel 6:19 van de Awb van toepassing is. [2] De slotsom is dat geen beroep van rechtswege is ontstaan tegen het besluit van 6 december 2024.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk en er ligt geen beroep van rechtswege tegen een nader besluit voor. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding, omdat het besluit tot intrekking van omgevingsvergunning II op verzoek van de vergunninghouder is genomen. Daarmee is het college niet tegemoetgekomen aan het beroep van eiser.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2023,
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1587.