ECLI:NL:RBDHA:2025:2350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
NL25.1243
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming in asielprocedure

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar vertrok op 30 januari 2025 uit zijn zelfstandige woonruimte met onbekende bestemming, zonder de minister of zijn gemachtigde hierover te informeren. De rechtbank stelde vast dat hierdoor het procesbelang van eiser is vervallen.

De gemachtigde van eiser bevestigde kennis te hebben genomen van het vertrek, maar gaf geen aanwijzingen dat er nog contact was met eiser of dat hij nog prijs stelde op bescherming. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 6 februari 2025 en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1243
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. Bij het bestreden besluit van 9 januari 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025, samen met de zaak NL25.1244, op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of er in het onderhavige beroep sprake is van procesbelang. De reden hiervoor is dat de minister heeft gemeld dat eiser op 30 januari 2025 zijn zelfstandige woonruimte heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken. Hiermee is volgens de minister het procesbelang van eiser vervallen en moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.2.
Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. [1]
3.3.
Op 30 januari 2025 heeft gemachtigde aan de rechtbank laten weten dat zij kennis heeft genomen van het bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij refereert aan het oordeel van de rechtbank. Nu de gemachtigde niet heeft laten weten dat eiser nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde moet worden aangenomen dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Daarom heeft hij geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
3.4.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2025 door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.