Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.Procesverloop
- de dagvaarding van 6 mei 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de akte van [eiser] , met nadere producties.
2.De feiten
- we de weg van 1 partij die het bouwt gaan onderzoeken.
- [naam 3] financieel advies optie 3 uitwerkt naar een definitief plan.
- En we zorgen dat we elkaar informeren als er iets te melden is (…)
3.Het geschil
- voor recht verklaart dat overeenkomsten 1 en 2 nietig zijn;
- [gedaagde] veroordeelt tot terugbetaling aan [eiser] van € 750.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.De beoordeling
- Artikel 10 van Pro overeenkomst 1 en artikel 2.6 van overeenkomst 2 zien op woekerrente in de vorm van een compensatiebedrag van € 750.000,00. Dit bedrag is dus rente.
- Er is geen sprake geweest van enige bijstand van [gedaagde] aan [eiser] .
- Tussen partijen was sprake van een kennisverschil. [eiser] is een particulier en is laaggeletterd, terwijl [gedaagde] over relevante deskundigheid op financieel gebied beschikt.
- [eiser] heeft overeenkomst 1 ondertekend buiten aanwezigheid van [naam 5] , zijn financieel adviseur. [gedaagde] wist dat [eiser] in financieel opzicht volledig klem zat en dat hij niet in staat was elders financiering te krijgen en dus genoodzaakt was om in te stemmen met de exorbitante rente.
- Op grond van de tekst van de overeenkomsten is niet onmiddellijk duidelijk voor [eiser] dat het maximum van € 750.000,00 daadwerkelijk zou kunnen worden bereikt.
De 750 K is een winstdeling/commerciële kickback”. Ook hieruit volgt dat de afgesproken vergoeding niet als rente werd gezien maar als winst en dat (in ieder geval op dat moment) geen bezwaar werd gemaakt tegen uitvoering van het project en de overeengekomen vergoeding voor [gedaagde] .
gedurende de herbouw, het verhuur klaar maken, herfinanciering of eventuele verkoop’. Dit betreft een inspanningsverplichting. In de dagvaarding is (slechts) vermeld ‘
Er is ook allerminst sprake geweest van enige vorm van bijstand van [gedaagde] aan [eiser]’. Ter zitting is toegelicht dat [naam 1] vanaf 2023 namens [eiser] betrokken is geraakt bij het project en daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. Wat daar ook van zij, niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] (in ieder geval voor 2023, maar ook daarna) heeft verzuimd om aan haar hiervoor genoemde inspanningsverplichting te voldoen.