ECLI:NL:RBDHA:2025:23534

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
NL25.32854 en NL25.32855
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep van een Somalische moeder en haar dochter tegen de niet-in behandeling name van hun asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres, een Somalische moeder, tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor haar en haar minderjarige dochter. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 juli 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiseres heeft eerder een beroep ingesteld tegen een besluit van 7 augustus 2024, waarbij haar asielaanvraag buiten behandeling werd gesteld. De rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder echter opnieuw de aanvraag niet in behandeling genomen, wat eiseres niet accepteert.

De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 behandeld, waarbij eiseres, haar dochter en haar gemachtigde aanwezig waren. Eiseres betoogt dat de medische en psychische problematiek van haar dochter een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag vereist. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvraag niet inhoudelijk behandeld kan worden, ondanks de medische situatie van de dochter. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigt dit besluit. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van eiseres en haar dochter.

De rechtbank heeft ook de proceskosten van eiseres toegewezen, die zijn vastgesteld op € 1.814,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.32854 (beroep) en NL25.32855 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer 1], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

mede namens haar minderjarige dochter
[minderjarige], V-nummer: [v-nummer 2]
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor haar en haar minderjarige dochter. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Eerder heeft verweerder per besluit van 7 augustus 2024 de asielaanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft hiertegen beroep (NL24.31926) ingesteld. Op 18 oktober 2024 heeft deze rechtbank het beroep met zaaknummer NL24.31926 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres te nemen.
1.2.
Bij besluit van 18 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 18 september 2025 op zitting behandeld. Eiseres, haar minderjarige dochter en haar gemachtigde waren aanwezig, evenals de gemachtigde van verweerder. Ook waren de vijf familieleden van eiseres aanwezig.
1.4.
Eiseres heeft een voorlopige voorziening (NL25.32855) ingediend. De rechtbank
houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1994 en haar dochter op [geboortedatum 2] 2010. Zij hebben de Somalische nationaliteit. Op 3 maart 2024 heeft eiseres in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat zij een visum had in Duitsland dat ten tijde van hun asielaanvraag in Nederland minder dan zes maanden was verlopen. Duitsland wordt daarom verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag. [2] Eiseres kan zich daar niet in vinden. Zij doet onder meer een beroep op artikelen 16 en 17 van de Dublinverordening.
3. Eiseres betoogt dat gelet op de medische en psychische problematiek van de
minderjarige dochter verweerder de asielaanvraag inhoudelijk moet behandelen. Eiseres en haar dochter zijn afhankelijk van de steun van hun familie hier in Nederland. Er zijn brieven van de behandelende GZ-psycholoog. Verweerder is niet concreet ingegaan op de individuele situatie van eisers.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 16 en artikel 17 van de Dublinverordening. Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
5. Uit de verklaring van de GZ-psycholoog van 19 mei 2025 blijkt dat het netwerk van de familieleden in Nederland een ondersteunende en stabiliserende rol speelt en van grote waarde is voor het herstel van de minderjarige dochter. Verweerder heeft weliswaar na het eerdere gegronde beroep een BMA advies gevraagd waarin de bevindingen van de GZ-psycholoog zijn meegewogen, maar bij brief van 15 september 2025 heeft de GZ-psycholoog een nieuwe brief gestuurd als reactie op dit BMA advies van 21 mei 2025. Daarin benadrukt de psycholoog dat er sterke aanwijzingen zijn dat de minderjarige dochter kampt met een posttraumatische stressstoornis waarvoor momenteel nog geen diagnostiek of behandeling in gang kan worden gezet, aangezien de randvoorwaarden vereisen dat een behandeling pas kan starten wanneer er voldoende stabiliteit en veiligheid aanwezig is. De psycholoog benadrukt dat de klachten van de dochter ernstig en invaliderend zijn en dat het feit dat er nog geen actieve behandeling is gestart niet betekent dat er geen sprake is van problematiek. Uit de brief volgt dat een steunend netwerk een van de randvoorwaarden is om een effectieve en verantwoordelijke behandeling in gang te zetten en dat in Duitsland dit netwerk niet aanwezig is. Het BMA en verweerder heeft overwogen dat er geen sprake is van een acute medische noodsituatie. Uit de brief van de GZ-psycholoog volgt dat dit criterium niet passend is bij de beoordeling van complexe traumaproblematiek.
6. Gelet op de ex nunc beoordeling op grond van artikel 83, eerste lid van de Vw, houdt de rechtbank rekening met de feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit van 18 juli 2025 zijn aangevoerd en overgelegd. De rechtbank betrekt daarom de brief van de GZ-psycholoog van 15 september 2025 in het beroep. In het licht van de verklaringen van de GZ-psycholoog kan verweerder niet blijven volstaan met de motivering dat mantelzorg niet als essentieel beschouwd kan worden omdat er geen sprake is van een actieve medische behandeling. Dit geldt evenzeer voor het standpunt van verweerder dat eiseres en haar dochter hun familieleden voor lange tijd niet hebben gezien en ook in Duitsland behandeling mogelijk is. De rechtbank benadrukt hierbij dat sprake is van de steun van directe familieleden, namelijk de moeder/oma, drie broers/ooms en de zus/tante van eiseres en haar dochter, die ook allen op zitting aanwezig waren.
7. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende duidelijk heeft gemotiveerd dat de brief van de GZ-psycholoog van 15 september 2025 geen aanleiding geeft om het besluit te heroverwegen. Daarbij is onvoldoende duidelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres en haar dochter aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 [3] is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredig hardheid getuigt.
8. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en dus in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. [4] Nu het bestreden besluit reeds daarom al in aanmerking komt voor vernietiging, behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking meer.
9. Nu het aan verweerder is om op basis van alle door eiseres naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden te motiveren waarom hij al dan niet aanleiding ziet om de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder de opdracht te geven een nieuw besluit te nemen gelet op hetgeen hiervoor overwogen met betrekking tot artikel 16 en artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen waarbij hij alle aangevoerde omstandigheden betrekt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigd het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-
ontvankelijk;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres te nemen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener
de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of
verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
4.Algemene Wet Bestuursrecht.
5.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.