ECLI:NL:RBDHA:2025:23621
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet-tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie
In deze zaak heeft verzoekster, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. P.E.J.M. Bartels, een verzoek ingediend om vergoeding van haar proceskosten. Dit verzoek volgde op de intrekking van haar beroep tegen de minister van Asiel en Migratie, die niet tijdig had beslist op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 26 september 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen, waarna verzoekster haar beroep heeft ingetrokken en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten. De minister heeft op dit verzoek niet gereageerd.
De rechtbank heeft in overweging genomen dat, wanneer een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan het beroepschrift, de bestuursrechter het bestuursorgaan kan veroordelen in de proceskosten van de indiener. Gezien het procesverloop en de gedingstukken is de rechtbank van oordeel dat de minister inderdaad tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekster door alsnog een besluit te nemen. De rechtbank heeft besloten het verzoek om proceskostenvergoeding toe te wijzen, waarbij het bedrag is vastgesteld op € 453,50. Dit bedrag is berekend op basis van de waarde per punt en een wegingsfactor van 0,5, omdat de zaak als lichtgewicht is beoordeeld.
De uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van griffier J.M. Pattynama, en is openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025. Verzoekster is geïnformeerd over de mogelijkheid om in verzet te gaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending.