ECLI:NL:RBDHA:2025:23624

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/6095
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 Wegenverkeerswet 1994Art. 132 Wegenverkeerswet 1994Art. 133 Wegenverkeerswet 1994Art. 134 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen oplegging rijvaardigheidsonderzoek

Verzoekster is door verweerder verplicht een rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan vanwege twijfel over haar rijvaardigheid, gebaseerd op een politieincident waarbij zij moeite had met het bedienen van haar voertuig. Verzoekster stelde dat het onderzoek onomkeerbare gevolgen heeft en dat zij vanwege haar mantelzorgtaken geen tijd heeft voor het onderzoek, waardoor er sprake zou zijn van een spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het volgen van een rijvaardigheidsonderzoek inherent tijd en inspanning kost voor alle betrokkenen en dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het onderzoek onmogelijk kan volgen. Ook is geen aanwijzing dat verweerder onredelijk zal zijn bij het toestaan van herplanning.

Het spoedeisend belang ontbrak daarom, en het besluit van verweerder was niet evident onrechtmatig. De rechtbank concludeerde dat het mutatierapport van de politie voldoende aanleiding gaf voor het opleggen van het onderzoek. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, zonder toekenning van proceskosten.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opleggen van het rijvaardigheidsonderzoek is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6095

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Visscher),
en

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

1. Verweerder heeft met het besluit van 14 maart 2025 bepaald dat verzoekster een rijvaardigheidsonderzoek [1] moet doen. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.1.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?
2. Verweerder heeft een melding van de politie ontvangen over een incident waar verzoekster bij betrokken was op 28 oktober 2024. Uit het mutatierapport blijkt dat twee verbalisanten op de [straatnaam] in [plaats] een voertuig hebben zien staan met een draaiende motor. Het voertuig stond op het voetgangersoversteekplaats geparkeerd. De bestuurder van de auto, verzoekster, is door de verbalisanten aangesproken. Ze gaf aan dat zij wilde parkeren. Haar is gevraagd de motor uit te zetten. Het viel de verbalisanten op dat verzoekster niet wist waar de aan/uit knop van het voertuig was. Ze was erg aan het zoeken. Verzoekster heeft vervolgens verklaard dat zij wilde gaan parkeren en niet door had dat dit een voetgangersoversteekplaats was.
Door de verbalisanten is aangegeven dat verzoekster op een andere locatie moest staan. Zij zagen dat verzoekster het voertuig niet gestart kreeg. Toen zij hier aanwijzingen bij gaven, zagen zij dat het voertuig met veel moeite van de plek wegreed. Het voertuig sloeg meerdere keren bijna af. Het lukte verzoekster wederom niet goed om het voertuig in een parkeervak te plaatsen. Naar aanleiding van deze melding van de politie heeft verweerder besloten om een rijvaardigheidsonderzoek aan verzoekster op te leggen [2] . Dit onderzoek is opgelegd omdat er twijfel bij verweerder is over de vaardigheid van verzoekster, specifiek ten aanzien van de bediening van het motorrijtuig.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster stelt zich -kort samengevat- op het standpunt dat het spoedeisend belang in haar geval evident is. Voor verzoekster heeft het besluit van verweerder onomkeerbare dan wel zeer ingrijpende gevolgen. Verzoekster wil hierbij wijzen op de aanzienlijke hoeveelheid tijd, geld en energie die zij moet investeren. Het gaat dan om het regelen van een lesauto, het regelen van een instructeur, het plannen en volgen van aangeraden proeflessen en de aangeraden beoefening van de theorie. Verzoekster heeft hier de tijd niet voor omdat zij mantelzorgerster is voor haar zoon. Deze privé-situatie en de gang van zaken in deze procedure vragen mentaal veel van verzoekster. Dit wringt vooral omdat verzoekster te kennen gegeven dat er aan eventuele herplanning van de rijvaardigheidsonderzoek hoge eisen worden gesteld en dat overmacht niet zomaar wordt aangenomen. Verzoekster voorziet dat bijvoorbeeld een mogelijke noodsituatie rondom haar zoon niet zou worden geaccepteerd. Dat zou wel degelijk zeer ingrijpende en onomkeerbare gevolgen hebben, verzoekster zou dan haar rijbewijs kwijtraken. Verder is voor verzoekster niet duidelijk welk belang verweerder nog heeft bij het laten plaatsvinden van het onderzoek. Het incident heeft zich inmiddels ruim een jaar geleden voorgedaan. In het afgelopen jaar heeft verzoekster vrijwel dagelijks gereden, hebben zich op geen enkele wijze onveilige situaties voorgedaan en heeft zij geen enkele boete of waarschuwing opgelegd gekregen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.1.
Verzoekster stelt dat zij een aanzienlijke hoeveelheid tijd, geld en energie moet investeren om deel te kunnen nemen aan het rijvaardigheidsonderzoek. Hierover merkt de voorzieningenrechter op dat dit inherent is aan het moeten volgen van zo’n onderzoek. Dit geldt voor alle deelnemers, hieruit volgt niet dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. Wat betreft de privé-situatie van verzoekster merkt de voorzieningenrechter op dat zij begrijp dat dit heel belastend is. Uit hetgeen verzoekster heeft gesteld blijkt echter niet dat het onmogelijk voor haar is om de rijvaardigheidscursus te volgen.
Verzoekster heeft er verder op gewezen dat zij vreest dat verweerder haar geen mogelijkheid tot herplanning meer zal bieden. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter hier echter geen aanwijzingen voor. Verweerder heeft zich tot nu toe flexibel opgesteld en verzoekster meerdere keren een ander afspraakmoment gegeven, dit onder andere vanwege een longontsteking. Er is geen reden om te vermoeden dat verweerder, bij een reële reden, verzoekster geen mogelijkheid tot herplannen zal bieden. Verweerder heeft dit op zitting ook bevestigd. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een spoedeisend belang. Verzoekster heeft nog gewezen op de mogelijke gevolgen als zij niet zou slagen voor het rijvaardigheidsonderzoek. Dit is echter een onzekere toekomstige omstandigheid, wat op dit moment geen spoedeisend belang oplevert. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat, als toch mocht blijken dat het besluit geen stand kan houden, waardoor verzoekster ten onrechte een rijvaardigheidsonderzoek heeft moeten ondergaan, verzoekster daarvoor financieel kan worden gecompenseerd. Daarbij geldt overigens dat ook als verzoeker het rijvaardigheidsonderzoek succesvol uitvoert, dit niet zonder meer betekent dat het ten onrechte is opgelegd.
5. Gelet op het voorgaande heeft verzoekster het spoedeisend belang bij de door haar verzochte voorlopige voorziening onvoldoende aannemelijk gemaakt. De door verzoekster gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Verweerder mag in principe uitgaan van de juistheid van een mutatierapport van de politie. Uit dit mutatierapport blijkt onder andere dat verzoekster geparkeerd stond op een plek waar dit niet is toegestaan (een voetgangersoversteekplaats). Ook is door twee verbalisanten waargenomen dat zij moeite had met het starten van het voertuig, moeite had met wegrijden en het voertuig vervolgens weer met moeite in een parkeervak plaatste. Dit kan al voldoende zijn voor een vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de rijvaardigheid en daarmee de oplegging van een rijvaardigheidsonderzoek rechtvaardigen. In hetgeen door verzoekster is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter verder geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.artikel 130 tot Pro en met 143a Wegenverkeerswet 1994.
2.Artikel 23, derde lid, sub a van de Regeling.