ECLI:NL:RBDHA:2025:23633

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/5784
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bedrijfsactiviteitenvergunning in verband met verdenking van strafbare feiten

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot een afgewezen aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning. De verzoeker, die een horeca-inrichting wilde exploiteren, had zijn aanvraag ingediend, maar deze was door de burgemeester van Den Haag afgewezen op 26 augustus 2025. De afwijzing was gebaseerd op de verdenking dat de verzoeker valsheid in geschrifte had gepleegd door het Bibob-vragenformulier onjuist in te vullen, en dat er ernstig gevaar bestond dat de vergunning zou worden gebruikt voor strafbare feiten.

De verzoeker voerde aan dat er geen onherroepelijke veroordeling tegen hem was en dat de verdenking van witwassen onvoldoende was om een ernstig gevaar aan te nemen. Hij betoogde dat de formulering van vraag 7A van het Bibob-vragenformulier onduidelijk was en dat hij bereid was om het formulier opnieuw in te vullen om eventuele onduidelijkheden weg te nemen. De voorzieningenrechter overwoog dat het algemeen belang van het tegengaan van misbruik van vergunningen zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker, vooral omdat het toekennen van een vergunning oneerlijke concurrentie voor bonafide ondernemers zou kunnen veroorzaken.

Uiteindelijk heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, met de overweging dat er onvoldoende spoedeisend belang was en dat de afwijzing van de vergunning gerechtvaardigd was gezien de omstandigheden. De uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier, en is openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5784

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Lafleur, [naam 2] en mr. W. Bouwers).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bedrijfsactiviteitenvergunning. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 augustus 2025 afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft een bedrijfsactiviteitenvergunning aangevraagd voor een horeca-inrichting aan het [adres] in Den Haag ( [handelsnaam] ). Verweerder heeft verzoeker gevraagd het formulier Wet Bibob en Vergunningen (Bibob-vragenformulier) in te vullen om de aanvraag te kunnen toetsen als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Verweerder heeft de vergunning vervolgens geweigerd, omdat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Ook zijn er feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de gevraagde vergunning een strafbaar feit is gepleegd. Verweerder vermoedt dat verzoeker valsheid in geschrifte heeft gepleegd door het Bibob-vragenformulier onjuist in te vullen. [1] Verweerder heeft aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat de werking van het besluit wordt opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling. De enkele verdenking van witwassen is onvoldoende om een ernstig gevaar aan te nemen. Dit is ook in strijd met artikel 6 van het EVRM. [2] Daarbij komt dat geen causaal verband is aangetoond tussen de verdenking van witwassen en de exploitatie van de inrichting. Verweerder moet wel kunnen aantonen dat de wijze waarop wordt geëxploiteerd een concreet risico op witwassen met zich meebrengt. Los van het voorgaande merkt verzoeker op dat verweerder het standpunt dat er sprake is van valsheid in geschrifte onvoldoende heeft onderbouwd. Er is geen sprake van opzet aan zijn kant. De vermeende onjuiste invulling komt door een andere interpretatie van de het Bibob-vragenformulier. Het gaat dan met name om de formulering van vraag 7A van het Bibob-vragenformulier, deze is onduidelijk. De tekst “negatief in aanmerking komen” is ruim geformuleerd, een voorlopige hechtenis zonder veroordeling valt daar volgens verzoeker niet onder. Verzoeker is bereid om het formulier nog een keer in te vullen om eventuele onduidelijkheden weg te nemen. Voor zover verweerder de herkomst van € 67.000,- betwist is verzoeker van mening dat de herkomst van dit bedrag wel is onderbouwd. Hij verwijst naar de aangifte inkomstenbelasting, het overzicht privé-onttrekkingen en de specificatie omzet.
3.1.
Als laatste stelt verzoeker dat geen rekening is gehouden met de, voor hem, onevenredig zware gevolgen van het besluit. Verzoeker is afhankelijk van de exploitatie van de inrichting voor zijn volledige inkomen. Daarbij komt dat hij de gedane investeringen verliest als hij zijn onderneming niet kan voortzetten. Het gaat dan om de opgebouwde goodwill, klantenkring en verlies van investeringen als kapitaal en middelen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van voldoende spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen, als aannemelijk is dat verzoeker in een acute financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Hiertoe ziet de voorzieningenrechter voldoende aanknopingspunten. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat zolang de aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning nog loopt een aanvrager een verklaring kan krijgen waarin staat dat de benodigde vergunning is aangevraagd. In principe wordt dan niet gehandhaafd zolang de aanvraag nog in behandeling is. Verzoeker kon in die periode open blijven. Met het besluit van 26 augustus 2025 is de aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning afgewezen. Verzoeker zal zijn bedrijf dan ook daadwerkelijk moeten sluiten. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor het onderhoud van zijn gezin in grote mate afhankelijk is van het inkomen uit [handelsnaam] . Er is in dit geval dan ook aanleiding om aan te nemen dat een spoedeisend belang bestaat bij het verzoek om voorlopige voorziening. Verweerder betwist dit ook niet.
Belangenafweging
6. Op zitting is door de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat de voorziening die wordt gevraagd inhoudt dat verzoeker behandeld zal worden alsof hij in het bezit is van een vergunning. Voor inwilliging van een dergelijk verstrekkend verzoek bestaat in het algemeen slechts aanleiding als de voorzieningenrechter op voorhand de overtuiging heeft dat de uitkomst in de bezwaarprocedure zal zijn dat de bedrijfsactiviteitenvergunning zal moeten worden verleend. Die overtuiging heeft de voorzieningenrechter niet. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verweerder een bedrijfsactiviteitenvergunning kan weigeren als feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd om de vergunning te krijgen [3] . In het geval van verzoeker heeft verweerder terecht vastgesteld dat verzoeker het Bibob-vragenformulier onjuist heeft ingevuld. Bij vraag 7 onder A op het Bibob-vragenformulier is namelijk de volgende vraag gesteld:
“Bent u in de afgelopen vijf jaar in Nederland dan wel in het buitenland negatief met politie en/of justitie in aanraking gekomen, bijvoorbeeld (maar niet gelimiteerd tot): een (on)herroepelijke veroordeling; een transactie met het openbaar ministerie; een strafbeschikking; en/of als verdachte aangemerkt?”.Niet in geschil is dat verzoeker wordt verdacht van een strafbaar feit, witwassen. Verzoeker heeft op het Bibob-vragenformulier echter een kruisje gezet bij zowel ja als nee. Door verweerder is vervolgens om verduidelijking gevraagd. Hierop heeft verzoeker aangegeven dat het ‘nee’ moet zijn, omdat hij in het verleden geen strafrechtelijke of bestuursrechtelijke veroordelingen heeft gehad. Voor zover verzoeker stelt dat de vraagstelling op het formulier onduidelijk is, overweegt de voorzieningenrechter dat de bij vraag 7 onder A genoemde voorbeelden duidelijk staat dat het verzoek om informatie ook ziet op de situatie dat iemand als verdachte is aangemerkt. Dit had verzoeker dan ook kunnen weten. Verweerder heeft verzoeker dan ook kunnen tegenwerpen dat er een vermoeden bestaat dat hij ter verkrijging van de bedrijfsactiviteitenvergunning een strafbaar feit heeft gepleegd, namelijk valsheid in geschrifte. Het gaat hier om het verzwijgen van de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Verweerder heeft dit zwaar mogen meewegen bij het besluit.
7. De voorzieningenrechter ziet bij de afweging van de bij het verzoek betrokken belangen dan ook geen aanleiding het verzoek toe te wijzen. Het algemeen belang dat wordt gediend met het tegengaan van misbruik van de vergunning weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoeker. Hierbij speelt mee dat het toch toekennen van een vergunning ook kan leiden tot oneerlijke concurrentie voor bonafide ondernemers die het formulier wel juist hebben ingevuld. Onder deze omstandigheden is het treffen van een zo verstrekkende voorlopige voorziening dan ook niet gerechtvaardigd.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025.
rechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 3, eerste lid, onder b en artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.
2.Verdraag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Artikel 3 zesde lid van de wet Bibob.