ECLI:NL:RBDHA:2025:23665

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/4859
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzoek om voorlopige voorziening in bestuursrechtelijke zaak betreffende Wob-verzoek en openbaarmaking van documenten

Op 11 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen een verzoeker en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening dat is ingediend door de verzoeker, die het niet eens was met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen een besluit van de minister. De verzoeker had op 20 december 2020 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en had op 23 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister, dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 4 december 2025 behandeld, waarbij zowel de verzoeker als de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet voldeed aan het vereiste van materiële connexiteit, wat betekent dat het verzoek niet betrekking had op de inhoud van het bestreden besluit. De verzoeker wilde duidelijkheid over de redenen waarom documenten nog niet waren verstrekt, maar dit viel buiten de reikwijdte van het bestreden besluit. Hierdoor werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft echter wel bepaald dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- aan hem moet vergoeden, gezien de omstandigheden van de zaak en de lange periode waarin verzoeker in het ongewisse was over de verstrekking van de documenten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4859

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister

(gemachtigde: mr. G. Altinas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de
niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers bezwaar. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Op 20 december 2020 heeft verzoeker een verzoek ingediend op grond van de Wob [1] . Bij het besluit van 10 maart 2022 (bestreden besluit) heeft de minister deels beslist op het Wob-verzoek. Verzoeker heeft hiertegen op 23 juli 2025 bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft de minister verzoekers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Verzoeker heeft op 30 december 2025 een verzoek ingediend op grond van de Wob. Het verzoek ziet op de openbaarmaking van documenten die zien op hoe de wettelijke aansprakelijkheid is geregeld tussen de overheid en de leveranciers van COVID-19-vaccins die Nederland afneemt. Het verzoek heeft betrekking op de bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport berustende documentatie van februari 2020 tot en met december 2020. Op dit verzoek is in deelbesluiten beslist.
3.2.
Met het deelbesluit van 10 maart 2022 heeft de minister informatie openbaar gemaakt die ziet op het deelonderwerp ‘Vaccinaties en medicatie’ over de maand augustus 2020. De minister heeft de feitelijke verstrekking van een deel van deze documenten opgeschort in verband met de bezwaren van derden tegen de (gedeeltelijke) openbaarmaking van deze documenten.
3.3.
Verzoeker heeft op 23 juli 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen het - zoals hij het omschrijft - na een lange periode van 3,5 jaar niet verstrekken van de documenten. In bezwaar heeft verzoeker naar voren gebracht, kort samengevat, dat de minister niet de Awb heeft gevolgd bij de behandeling van zijn Wob-verzoek. Voorafgaande aan de besluitvorming is niet om zienswijzen van derden gevraagd. Verzoeker is daarnaast niet geïnformeerd over de ingediende bezwaren van derden en hij is niet gevraagd om als Wob-verzoeker deel te nemen aan deze bezwaarprocedures. Verzoeker is daardoor in zijn belangen is geschaad.
3.4.
Bij het bestreden besluit heeft de minister verzoekers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.
Wat vindt verzoeker?
4.1.
Verzoeker brengt - kort samengevat - naar voren dat de documenten nog steeds niet aan hem zijn verstrekt en hij niet wordt geïnformeerd wordt over de voortgang van de bezwaarprocedure(s). Hij acht de werkwijze van de minister een vorm van détournement de procedure. Het bestuursrecht voorziet niet in deze lange opschorting van de feitelijke openbaarmaking van documenten en de minister laat na om deze onrechtmatige situatie te beëindigen.
4.2.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om inzicht en duidelijkheid van de minister te verkrijgen over de redenen waarom de honderden documenten vooralsnog niet verstrekt zijn. Hij wenst met het verzoek te bereiken dat de voorzieningenrechter de minister opdraagt om binnen twee weken voor elk van de nog niet verstrekte documenten duidelijkheid te geven waarom de documenten nog niet verstrekt konden/mochten worden.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5.1.
Een vereiste voor de ontvankelijkheid van een verzoek om voorlopige voorziening is dat het verzoek betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit waarvoor een voorziening wordt gevraagd. Dat wordt ook wel het materiële connexiteitsvereiste genoemd.
5.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het verzoek niet aan het vereiste van materiële connexiteit, omdat wat verzoeker wil bereiken geen betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend hangende de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het bestreden besluit behelst dus geen beslissing over een rechtsgevolg met betrekking tot de inhoud van de hiervoor genoemde en gevraagde voorziening. Verzoeker kan daarom met zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet bereiken wat hij wil.
5.3
Nu geen sprake is van materiële connexiteit en daarmee evenmin van een met het bestreden besluit samenhangend spoedeisend belang van verzoeker dat tot schorsing van dat besluit noopt, is het verzoek niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

6.1.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
6.2.
Verzoeker heeft op de zitting gevraagd om vergoeding van het griffierecht. Hij heeft toegelicht dat hij weet dat de procedure tot niets kan leiden, maar dat hij alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen het deelbesluit van 22 maart 2022 omdat hij geen andere manier meer zag om informatie te krijgen over de stand van de bezwaarprocedure tegen dat deelbesluit. Hij is al drieënhalf jaar in het ongewisse over de verstrekking van de documenten die met het deelbesluit openbaar zouden worden gemaakt. Op de zitting is gebleken is dat de minister ervan uitging dat derde-belanghebbenden bij het Woo-verzoek om een zienswijze was gevraagd maar dat recentelijk duidelijk is geworden dat dit niet het geval is geweest. Deze zienswijzen zijn vervolgens alsnog opgevraagd. De termijn om een zienswijze in te dienen verstrijkt vandaag en voorzien wordt dat de documenten daarna verstrekt kunnen worden.
6.3.
Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- aan hem vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de minister het door verzoeker betaald griffierecht van € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet openbaarheid van bestuur