De rechtbank Den Haag behandelde op 4 februari 2025 een verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. De ouders waren doorverwezen naar mediation, maar de vader beëindigde het traject en vertrok naar Curaçao, waardoor het contact met de minderjarige stopte.
Tijdens de zitting was de moeder aanwezig met haar advocaat, terwijl de vader ondanks oproepen niet verscheen en sinds juli 2024 geen bekende verblijfplaats in Nederland heeft. De moeder heeft zich ingezet om het contact tussen de vader en de minderjarige te herstellen, maar dit is mislukt vanwege de onbereikbaarheid van de vader.
De rechtbank handhaafde eerdere overwegingen en besloot de verzoeken van de vader af te wijzen. Het zelfstandige verzoek van de moeder met betrekking tot de zorgregeling werd ingetrokken, zodat daarop niet meer werd beslist. De uitspraak werd gedaan door kinderrechter A.M. Brakel.