ECLI:NL:RBDHA:2025:23673

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/2255
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar in bestuursrechtelijke context

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar door de minister van Financiën. Eiser had eerder een verzoek om inzage in zijn gegevens ingediend, waarop de minister had beslist, maar deze beslissing werd door de rechtbank op 17 november 2023 vernietigd. De rechtbank had de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Eiser heeft echter pas op 20 maart 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van deze nieuwe beslissing. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Eiser had redelijkerwijs geen nieuw besluit meer kunnen verwachten na een telefonische mededeling van de Belastingdienst op 16 juli 2024, waarin werd aangegeven dat er geen nieuw besluit zou komen. De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het late indienen van het beroep rechtvaardigen. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter C.W. Griffioen en is openbaar uitgesproken op 4 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof en mr. L. Woudenberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser wegens het uitblijven van een beslissing door verweerder.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 8 mei 2021 heeft eiser een verzoek om inzage in zijn gegevens die stonden geregistreerd in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) ingediend bij verweerder. Verweerder heeft daarop beslist op 28 juli 2021. Op 23 november 2021 heeft verweerder opnieuw op het verzoek beslist, omdat de eerdere beslissing onvolledig bleek te zijn. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 6 april 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het eerdere besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft met haar uitspraak van 17 november 2023 het beroep van eiser gegrond verklaard, omdat verweerder het AVGinzageverzoek van eiser volgens de rechtbank te beperkt heeft uitgelegd. [1] Verweerder heeft niet gekeken naar de registratie van persoonsgegevens in andere systemen dan de FSV, terwijl hier wel om gevraagd is. De rechtbank heeft het besluit van 6 april 2022 vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met haar uitspraak.
2.2.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de hoogste bestuursrechter. [2] Tot op heden is nog geen uitspraak gedaan door de Afdeling.
2.3.
Op 20 maart 2025 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar, zoals de rechtbank heeft bepaald in haar uitspraak van 17 november 2023. Deze zaak ziet op de vraag of eiser het beroepschrift van 20 maart 2025 onredelijk laat heeft ingediend.
Wat vindt eiser in beroep?
3. De rechtbank heeft verweerder met haar uitspraak van 17 november 2023 opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. Volgens eiser zijn er verschillende redenen waarom het beroepschrift pas op een later moment is ingediend, onder meer dat de Afdeling recentelijk te kennen heeft gegeven dat de behandeling van het hoger beroep nog geruime tijd op zich zal laten wachten. Onder de gegeven omstandigheden kan niet worden gesproken van een onredelijk laat ingediend beroepschrift, maar van een noodzakelijk rechtsmiddel om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank af te dwingen. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder op te dragen om binnen twee weken alsnog een nieuw besluit te nemen, of anders binnen een termijn van zes weken, als er volgens de rechtbank sprake is van bijzondere omstandigheden. Verder verzoekt hij de rechtbank verweerder een dwangsom van € 250,- op te leggen voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven. [3]
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar na de eerdere uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat door de voorzieningenrechter van de Afdeling hangende het door verweerder tegen de uitspraak van 17 november 2023 ingestelde hoger beroep – dat op grond van artikel 8:106, eerste lid, van de Awb geen schorsende werking heeft – een voorlopige voorziening is getroffen die ertoe strekt dat verweerder hangende dat hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen. Weliswaar heeft verweerder bij de Afdeling een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, maar dit verzoek is op 24 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verweerder niet binnen de in de uitspraak van 17 november 2023 gestelde termijn heeft beslist. Verweerder had uiterlijk op 8 januari 2024 een nieuw besluit moeten nemen. Eiser heeft op 10 januari 2024 een ingebrekestelling gestuurd naar verweerder. Ruim 14 maanden daarna, namelijk op 20 maart 2025, heeft eiser het onderhavige beroep ingesteld.
5.2.
Voor het antwoord op de vraag of het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, is het van belang om vast te stellen of eiser op het moment dat hij beroep instelde, redelijkerwijs nog een besluit van verweerder mocht verwachten. Of sprake is van een onredelijk laat ingediend beroepschrift hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij speelt een rol in hoeverre belanghebbende na het verstrijken van de beslistermijn over de zaak in contact is gebleven met verweerder. [5]
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat een medewerker van de Belastingdienst op of rond 16 juli 2024 telefonisch heeft meegedeeld dat geen nieuw besluit zou worden genomen en dat verweerder de uitspraak van de Afdeling zou afwachten. Eiser hoefde naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval vanaf dat moment redelijkerwijs geen nieuw besluit meer te verwachten.
5.4.
Pas op 20 maart 2025, ruim 8 maanden na de telefonische mededeling op of rond 16 juli 2024 dat geen nieuw besluit zal worden genomen, is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar. Daarmee is het beroepschrift naar het oordeel van de rechtbank onredelijk laat ingediend. Na de mededeling door de medewerker van de Belastingdienst had het voor eiser duidelijk moeten zijn dat verweerder (nog) niet op zijn bezwaar zou gaan beslissen (in afwachting van een uitspraak door de Afdeling op het hoger beroep). Eiser voert aan dat er herhaaldelijk pogingen zijn ondernomen om in contact te komen met de behandelaar, om duidelijkheid te verkrijgen over de stand van zaken en het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar. Ook is volgens eiser geprobeerd om tijdens de behandeling van andere procedures met de behandelaar in contact te komen over deze zaak. Verweerder betwist echter dat na de telefonische mededeling op of rond 16 juli 2024 door (de gemachtigde van) eiser geprobeerd is om met de behandelaar in contact te komen. Namens eiser zijn geen brieven overgelegd waarin verweerder wordt gevraagd naar de stand van zaken of bijvoorbeeld telefoonnotities waaruit kan worden opgemaakt dat navraag is gedaan naar de voortgang. Het standpunt door eiser dat steeds geprobeerd is om in contact te komen met de behandelaar kan zonder enige onderbouwing niet zonder meer worden gevolgd. Het is daarom niet gebleken dat partijen nog met elkaar in gesprek waren of dat eiser spoedig een beslissing kon verwachten, wat een langere termijn voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar kan rechtvaardigen. Dat eiser het in eerste plaats begrijpelijk en verdedigbaar vond dat verweerder de uitspraak in het hoger beroep wilde afwachten, maar nu alsnog in beroep gaat wegens het uitblijven van een beslissing omdat de Afdeling volgens hem heeft laten weten – eerst telefonisch en kort daarna op 8 april 2025 per brief – dat de behandeling van het hoger beroep nog geruime tijd op zich zal laten wachten, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen reden om het zo laat instellen van dit beroep verschoonbaar te achten.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2023 in zaak nr. SGR 22/3135. Deze uitspraak is (nog) niet gepubliceerd.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zaak nr. 202400554/1/A3.
3.Artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb.