ECLI:NL:RBDHA:2025:23676

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/3741
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds geweldsmisdrijven na zedenmisdrijf

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 13 november 2025, onder zaaknummer SGR 25/3741, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven beoordeeld. Eiser, wiens dochter slachtoffer is geworden van een zedenmisdrijf, heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. De aanvraag werd door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat het psychisch letsel van de dochter blijvend is. Eiser is van mening dat de impact van het misdrijf op zowel hem als zijn dochter aanzienlijk is, en dat dit rechtvaardigt dat hij in aanmerking komt voor een uitkering.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de afwijzing van de aanvraag door verweerder terecht was. De rechtbank oordeelt dat, hoewel het psychisch letsel van de dochter ernstig is, er geen bewijs is dat dit letsel blijvend is. De rechtbank wijst erop dat de dochter nog in behandeling is en dat het goed voorstelbaar is dat haar situatie kan verbeteren met de juiste hulp. De rechtbank concludeert dat de hoge lat voor de ernst van het psychisch letsel niet is gehaald en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: M.E.H. Vos-Nijp).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beslissing van 27 mei 2025 de zaak naar deze rechtbank verwezen. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 21 april 2025 als naaste een aanvraag gedaan voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven. Zijn dochter is eind 2024 slachtoffer geworden van verkrachting. Zij heeft om die reden een uitkering ontvangen uit het Schadefonds (letselcategorie 3). Eiser heeft zelf ook een aanvraag gedaan omdat het misdrijf en de gevolgen daarvan voor zijn dochter een heel grote impact op hem en zijn mentale gezondheid hebben. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van de dochter geen sprake is van ernstig en blijvend letsel en eiser om die reden niet in aanmerking komt voor een uitkering.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de beslissing van verweerder. De impact van het misdrijf op eiser en zijn dochter is groot. Eiser slikt medicatie en heeft suïcidale gedachten, het leven heeft geen zin meer voor hem. Zijn dochter heeft ook veel lichamelijke en psychische klachten. Zij durft niet meer naar school, niet meer te sporten en heeft overal pijn. Zij is in behandeling bij een psycholoog en psychiater. Ook zij slikt medicatie. Eiser wil graag op korte termijn € 5.000,- ontvangen zodat hij in behandeling kan bij een particuliere psycholoog. Vanwege de lange wachtlijsten heeft hij zelf een psycholoog gezocht, maar hij kan de behandeling op dit moment niet betalen.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder geeft aan dat zij zich kan voorstellen dat het misdrijf veel impact heeft op eiser en zijn dochter. Maar zij kan alleen een uitkering toekennen aan een naaste als bij het slachtoffer sprake is van ernstig en blijvend letsel (als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid, onder b, van het BW [1] ). Daarvan is volgens verweerder geen sprake in deze situatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Een slachtoffer dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen door een in Nederland gepleegd geweldsmisdrijf kan verzoeken om een uitkering uit het Schadefonds. [2] Het Schadefonds kent ook uitkeringen toe aan naasten van slachtoffers. [3] Een uitkering is een financiële tegemoetkoming, die uiting geeft aan solidariteit van de samenleving met het slachtoffer.
5.2.
In artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven staat onder meer dat een uitkering kan worden gedaan aan naasten van een slachtoffer dat als gevolg van het geweldsmisdrijf
ernstig en blijvend letselheeft, als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat niet alleen lichamelijk maar ook psychisch letsel ernstig en blijvend kan zijn. Wel moet het volgens de wetsgeschiedenis dan gaan om psychisch zeer ernstig letsel.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds kunnen afwijzen omdat – nog los van de vraag of de hoge lat van de ernst van het psychisch letsel wordt gehaald – niet aannemelijk is gemaakt dat het psychisch letsel van de dochter blijvend is. Eiser heeft in het bezwaarschrift vermeld dat zijn dochter in behandeling is bij een psycholoog en psychiater. De rechtbank overweegt dat het misdrijf nog niet heel lang geleden heeft plaatsgevonden. Het is heel goed voorstelbaar dat eisers dochter op dit moment nog ernstig heeft te lijden van wat haar is aangedaan en dat dit haar op dit moment op vele vlakken belemmert in haar leven. Anderzijds is het ook goed voorstelbaar dat haar situatie, met de juiste hulp en met tijd, kan verbeteren en dat het gewicht van de gevolgen zullen afnemen. Op dit moment zijn er geen indicaties die erop duiden dat het psychisch letsel dat zij heeft geleden blijvend is. Daarom mocht verweerder de aanvraag van eiser afwijzen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
3.Paragraaf 4 van de Beleidsbundel.