ECLI:NL:RBDHA:2025:23700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/09/693855 / JE RK 25-1853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van jeugdbescherming

Op 11 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, betreffende een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010. De kinderrechter heeft het verzoek tot uithuisplaatsing toegewezen, na een zorgvuldige afweging van de feiten en omstandigheden. De minderjarige, hierna te noemen [minderjarige], is op 30 oktober 2025 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst en verblijft momenteel op een crisisplek van [zorginstantie 1]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er sprake is van dreigend en agressief gedrag van [minderjarige], zowel thuis bij de vader als bij de moeder, en dat er grote zorgen zijn over zijn mentale welzijn, waaronder sombere gedachten. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en hebben beiden ingestemd met de uithuisplaatsing, hoewel de moeder zich frustreert over de communicatie rondom de situatie van [minderjarige]. De kinderrechter heeft benadrukt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en dat er aandacht moet zijn voor contactherstel met beide ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft ook een brief aan [minderjarige] geschreven om hem te informeren over de beslissing en de redenen daarvoor.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693855 / JE RK 25-1853
Datum uitspraak: 11 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. M. de Boorder uit Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam], namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat;
- de moeder.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft de kinderrechter een brief gestuurd.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 december 2025. De behandeling van het verzoek (dat strekte tot ondertoezichtstelling voor een jaar) is voor het overige aangehouden.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 oktober 2025 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] tot 13 november 2025 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.5.
[minderjarige] verblijft momenteel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten op een crisisplek van [zorginstantie 1]. Vóór zijn verblijf aldaar, woonde hij afwisselend bij zijn vader en zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft momenteel op een crisisgroep van [zorginstantie 1]. Hij kan daar nog een aantal weken blijven. [minderjarige] heeft eind oktober 2025 op school verteld dat hij niet meer naar zijn vader durft. [minderjarige] heeft aangegeven dat er al langere tijd fysiek geweld wordt toegepast bij de vader thuis. De vader en de stiefmoeder hebben bij de gecertificeerde instelling te kennen gegeven zich onveilig te voelen omdat [minderjarige] hen bedreigt en hij ruzie uitlokt. [minderjarige] heeft op school gezegd dat hij ook niet naar zijn moeder kan omdat ook zij fysiek geweld gebruikt. Er is sprake van een niet doorbroken patroon als gevolg van langdurige echtscheidingsproblematiek. Er is hulpverlening ingezet voor [minderjarige], maar [minderjarige] laat daar sociaal wenselijk gedrag zien, waardoor zijn gedragsproblemen niet afnemen. Er zijn grote zorgen over de sombere gedachten waar [minderjarige] melding van maakt en over zijn gedrag. De gecertificeerde instelling heeft contact opgenomen met [zorginstantie 2], waar [minderjarige] eerder hulpverlening heeft ontvangen, om te vragen of het dossier van [minderjarige] heropend kan worden. De gecertificeerde instelling meent dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is, gelet op de aanhoudende escalaties. [minderjarige] heeft op dit moment af en toe, onbegeleid, contact met zijn moeder. Met zijn vader heeft hij geen contact. Vanuit een veilige plek als de plek waar hij nu verblijft, kan [minderjarige] werken aan het contactherstel met zijn ouders en kan onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid van terugkeer naar de vader, waar hij laatstelijk verbleef. Ook vindt de gecertificeerde instelling het van belang dat er in de thuissituatie bij zowel de vader als de moeder hulpverlening wordt ingezet.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. De vader benoemt dat hij zich zorgen maakt om [minderjarige] en zijn gedrag. Het gedrag van [minderjarige] wordt steeds erger. Hij dreigt en laat agressief gedrag zien. De vader brengt verder naar voren dat hij vanwege het zorgelijke gedrag van [minderjarige] een camera in zijn woning heeft moeten installeren om zicht te kunnen houden op [minderjarige] op momenten dat hij en de stiefmoeder niet thuis zijn. Zo heeft [minderjarige] recent wildvreemde kinderen meegenomen naar de woning onder schooltijd. Op school gaat het ook niet goed met [minderjarige]. De vader vindt het heftig dat [minderjarige] op een crisisplek is geplaatst en hij momenteel geen contact met hem heeft. Hij hoop dat [minderjarige] hulpverlening krijgt, zodat hij in de toekomst weer thuis kan komen wonen. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] weet dat hij altijd bij de vader terecht kan.
4.2.
Door de moeder is ook ingestemd met het verzochte. Het frustreert de moeder dat zij niet door school of de gecertificeerde instelling op de hoogte is gebracht van de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige]. De moeder merkt op dat zij vaker niet of op een later moment wordt geïnformeerd over [minderjarige] of benaderd wordt voor gesprekken die over hem gaan. De moeder benoemt verder dat ze al vaker heeft verzocht om hulp en ondersteuning voor [minderjarige]. Ze geeft aan vorig jaar door [minderjarige] met een mes te zijn bedreigd. Ze maakt zich zorgen dat hij iemand iets zal aandoen. De moeder geeft aan dat [zorginstantie 2] het dossier van [minderjarige] heeft gesloten omdat zijn problematiek te ernstig is, maar dat hij wel hulpverlening nodig heeft. Deze hulp is echter nog niet opgestart. De moeder stelt dat [minderjarige] zichzelf kwijt is. Hulp voor [minderjarige] moet voorop staan.. Hulpverlening voor haar of de vader is hieraan sterk ondergeschikt.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] is op 30 oktober 2025 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst en verblijft momenteel op een crisisgroep van [zorginstantie 1]. [minderjarige] liet dreigend en agressief gedrag zien, zowel bij de vader thuis als bij de moeder thuis. Ook op school ging het met [minderjarige] niet goed. [minderjarige] heeft daarnaast last van sombere gedachten. De reeds ingezette hulpverlening om de zorgen over het gedrag van [minderjarige] weg te nemen, is onvoldoende gebleken. Er is dringend behoefte aan diagnostiek en (meer) passende hulpverlening. De kinderrechter benadrukt dat de gecertificeerde instelling zich de komende weken hier primair op moet richten. Daarbij is het van belang dat [minderjarige] de rust ervaart die hij nodig heeft om toe te komen aan zijn ontwikkeltaken. Hiervoor is het noodzakelijk dat hij ook de komende weken verblijft op de crisisplek van [zorginstantie 1] of op een passende vervolgplek. Ook is het van belang dat er aandacht wordt besteed aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader en aan behoud van het contact dat [minderjarige] op dit moment met zijn moeder heeft. De kinderrechter geeft de ouders mee dat zij, in het belang van [minderjarige], ook moeten proberen hun onderlinge communicatie te verbeteren.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] een brief geschreven en aan hem laten versturen. Deze brief luidt als volgt:
‘Beste [minderjarige],
De afgelopen weken heb jij veel meegemaakt. Daarvóór ook. Zowel bij jouw vader als bij jouw moeder thuis ging het niet goed.
De jeugdbescherming heeft mij gevraagd om te beslissen dat de uithuisplaatsing voortduurt tot 11 december 2025. Jij hebt mij een brief geschreven met jouw mening hierover. In die brief heb jij verteld dat je niet bij jouw vader of bij jouw moeder wilt wonen. Jij hebt ook duidelijk uitgelegd waarom je dat niet wilt. Op beide plekken voel jij je niet veilig, schrijf je.
Op de zitting van 11 november 2025 heb ik gepraat met jouw ouders en met de jeugdbeschermer. Zij hebben mij verteld wat zij denken dat op dit moment het meest in jouw belang is. Iedereen was het er over eens dat een uithuisplaatsing nog nodig is.
Ik heb besloten het verzoek van de jeugdbescherming toe te wijzen omdat ook ik vind dat een uithuisplaatsing, hoe naar dat ook klinkt, op dit moment het beste voor jou is. Van de jeugdbeschermer heb ik begrepen dat het goed gaat met jou op de plek waar jij nu verblijft en dat gezocht wordt naar een passende vervolgplek.
Jouw ouders en de jeugdbeschermer hebben op de zitting gezegd dat er heel snel moet worden gekeken naar hulpverlening voor jou. In de beslissing kun je teruglezen dat ik het ook heel belangrijk vind dat dat gaat gebeuren.
Op de zitting hebben jouw ouders ook gezegd dat jij altijd ben hen terecht kunt en dat de deuren van hun huizen altijd voor jouw open (blijven) staan. Ik heb gezien dat zij veel van jou houden.
De komende periode zal de jeugdbeschermer samen met jou en jouw ouders blijven kijken hoe het met jou gaat, welke hulp jij nodig hebt en waar jij na 11 december 2025 zal gaan verblijven.
Ik heb begrepen dat jij op dit moment af en toe contact hebt met jouw moeder. Ik hoop dat dit zo blijft. Ook hoop ik dat er weer contact kan komen met jouw vader, want ik hoorde ook dat er nu helemaal geen contact is.
Voor jouw ouders maak ik een officiële uitspraak (dat heet een beschikking). In die uitspraak vertel ik hetzelfde als in deze brief. Zo weten zij ook wat ik heb besloten. De tekst van deze brief zal ik ook in de uitspraak vermelden.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat ik heb beslist en waarom ik deze beslissing heb genomen. Als je nog vragen hebt over deze brief, kun je altijd contact opnemen met de rechtbankgids.
Met hartelijke groet van de kinderrechter’

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 november 2025 tot 11 december 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 19 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.