ECLI:NL:RBDHA:2025:23707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/09/693521 / JE RK 25-1813
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp

Op 11 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden betreffende een minderjarige, geboren in 2011. De kinderrechter heeft een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van de minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken, met ingang van 11 november 2025. Dit besluit is genomen na een zorgvuldige afweging van de feiten en omstandigheden, waarbij de ontwikkeling van de minderjarige en de noodzaak van jeugdhulp centraal stonden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van de minderjarige ernstig belemmeren. Ondanks de positieve stappen die de minderjarige heeft gezet, zijn er zorgen over zijn gedrag en de samenwerking met de hulpverlening. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de benodigde jeugdhulp. De beschikking is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 20 november 2025. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/693521 / JE RK 25-1813
Datum uitspraak: 11 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 oktober 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 7 november 2025;
- het gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 7 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • [minderjarige] met zijn advocaat;
- de moeder;
- regiecoördinator, [naam 2].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft feitelijk bij [zorginstelling].
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 13 mei 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er is de afgelopen periode samen met [minderjarige] en zijn moeder gewerkt aan de mogelijkheid van een terugkeer van [minderjarige] naar huis, voor het waarborgen van zijn welzijn en ontwikkeling is het belangrijk dat thuisplaatsing op een veilige en verantwoorde wijze kan plaatsvinden en [minderjarige] en zijn moeder de benodigde tijd en ondersteuning krijgen. Hoewel [minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt vindt de gecertificeerde instelling dat er op dit moment nog wel zorgen zijn over zijn gedrag en de mate waarin hij in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn behandeling. Hij is op dit moment nog onvoldoende in samenwerking en motivatie om hiervan te profiteren. [minderjarige] heeft nog moeite om in contact te blijven met de begeleiding, houdt zich niet altijd aan de gemaakte afspraken en laat wisselend gedrag zien op het gebied van sport, school en het omgaan met vrijheden. Hierbij toont hij geen reflectie op zijn gedrag en gesprekken hierover zorgen voor discussie of ontkenning. Een gesloten machtiging voor de duur van drie maanden biedt de ruimte om de positieve ontwikkeling te bestendigen, de relatie tussen [minderjarige] en zijn moeder verder te versterken en op een geleidelijke en verantwoorde wijze toe te werken naar een minder gesloten vorm van jeugdhulp met als uiteindelijk doel een thuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn moeder. Een terugval is mogelijk wanneer [minderjarige] te vroeg weer terugkeert naar huis. MDFT is inmiddels aangevraagd, het woonplaatsbeginsel heeft daar echter een rol in. [minderjarige] woont nu feitelijk niet meer in [plaats] wat betekent dat er een maatwerkovereenkomst moet worden opgesteld en deze samen met het woonplaatsbeginsel naar de analysetafel moet worden doorgestuurd. Op het moment dat die akkoord gaan dan kan er ook in [zorginstelling] MDFT worden geboden en kan dit uiteindelijk thuis worden voortgezet.

4.De standpunten

4.1.
De advocaat heeft namens [minderjarige] primair verzocht om afwijzing van het verzoek en subsidiair om toewijzing voor de duur van vier weken met afwijzing voor het overige. Het ontbreken van de financiering van MDFT staat een thuisplaatsing in de weg. Een langer verblijf in [zorginstelling] zal [minderjarige] meer kwaad dan goed doen. Hoewel de thuissituatie kwetsbaar is zijn er de afgelopen periode zeker stappen gezet. Bovendien zal, wanneer [minderjarige] thuis woont, hulpverlening binnen afzienbare tijd kunnen starten.
4.2.
De moeder heeft benadrukt dat [minderjarige] al negen maanden in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verblijft maar dat alle vormen van hulpverlening tot op heden nog steeds niet zijn gestart. Zij ziet [minderjarige] alleen maar verder afglijden. Zij vindt het oneerlijk dat er van [minderjarige] wel dingen worden verwacht maar dat hem beloftes worden gedaan die niet worden nagekomen.
4.3.
De regiecoördinator heeft desgevraagd meegedeeld dat er een duidelijk plan van aanpak is gemaakt maar dat dit is gestokt vanwege de financiering. Op het moment dat de financiering rond is kan hulpverlening starten.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] heeft veel stappen gezet en een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Deze ontwikkeling stokt echter vanwege financieringsproblemen. Hulpverlening kan starten op het moment dat de financiering rond is. De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] niet de dupe mag zijn van deze financieringsproblemen en zal het verzoek toewijzen voor de duur van vier weken.
De komende periode kan de positieve ontwikkeling van [minderjarige] worden bestendigd, de relatie tussen [minderjarige] en zijn moeder worden versterkt en kan er op verantwoorde wijze toegewerkt worden naar een thuisplaatsing. Wanneer binnen deze termijn de financiering geregeld is kan hulpverlening starten en in de thuissituatie worden voortgezet.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 november 2025 tot 11 december 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door
mr. E. van Die, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 20 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).