ECLI:NL:RBDHA:2025:23772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
AWB 23/12781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvragen tot afgifte van machtigingen tot voorlopig verblijf

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, op 1 oktober 2025, is het beroep van eiser gegrond verklaard. Eiser had beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op zijn aanvragen voor drie machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel 'nareis'. De rechtbank oordeelde dat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, had beslist. Eiser had op 12 september 2023 een ingebrekestelling ingediend, maar de minister had daarna nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank benadrukte dat de ruimere beslistermijn van negen maanden, die sinds 28 maart 2025 geldt, niet van toepassing was op deze zaak, omdat de oorspronkelijke termijn al was verstreken. De rechtbank stelde de minister een termijn van twintig weken om alsnog een besluit te nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is openbaar uitgesproken en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/12781

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvragen tot afgifte van een drietal machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘nareis’.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
3. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de mvv-aanvragen zijn ingediend op
11 oktober 2022. Op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals geldend tot 28 maart 2025) moet verweerder binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag een besluit nemen. Bij brief van 8 november 2022, waarbij de ontvangst van de mvv-aanvragen is bevestigd, heeft verweerder deze termijn met drie maanden verlengd. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft verweerder op 12 september 2023 een ingebrekestelling ontvangen. Verweerder heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
De rechtbank merkt nog op dat de ruimere beslistermijn van negen maanden die sinds
28 maart 2025 op grond van artikel 2u, vierde lid, van de Vw voor dit soort mvv-aanvragen geldt, in deze zaak niet van toepassing is, nu de oorspronkelijke beslistermijn (op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vw, zoals geldend tot 28 maart 2025) van 90 dagen, verlengd met drie maanden, op 28 maart 2025 reeds was verstreken (zie in dit verband de Wet van
12 maart 2025 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met verlenging van de beslistermijnen in asiel- en nareiszaken (Stb. 2025, 79), in samenhang bezien met artikel II van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen (Stb. 2025, 96) en IB 2025/12 ‘Wetswijziging beslistermijn gezinsherenigingsaanvragen bij statushouders’).
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
5. De rechtbank heeft er gelet op de enorme werkvoorraad bij de IND begrip voor dat het verweerder niet lukt om tijdig op alle mvv-aanvragen in nareiszaken een besluit te nemen. Het ligt echter niet op de weg van de bestuursrechter - wiens taak erin is gelegen burgers die in beroep zijn gekomen tegen aan hen gerichte besluiten rechtsbescherming te bieden op basis van de geldende wetgeving - dit probleem op te lossen, hoezeer hij dit probleem ook onderkent.
6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de rechter een termijn moet stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560). De rechter mag geen nadere termijn stellen waarvan op voorhand duidelijk is dat het bestuursorgaan deze niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. Ook als het bestuursorgaan eerder met de procedure voor het nemen van een besluit had kunnen beginnen, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat de rechter een kortere termijn stelt dan nodig is voor zorgvuldige besluitvorming.
7. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 7 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16208, geoordeeld dat de enige termijn die onder de huidige omstandigheden in nareiszaken niet onrealistisch kort is, een termijn is van twintig weken na bekendmaking van de uitspraak op een beroep niet tijdig beslissen. Binnen deze termijn moet verweerder de eventueel nog nodige onderzoekshandelingen verrichten en een besluit nemen. Daarmee wijkt deze zittingsplaats van de rechtbank, anders dan voorheen, af van het sporenmodel in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 17 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3590, omdat één maximale termijn verweerder meer ruimte geeft voor de behandeling van een mvv-aanvraag in nareiszaken en het de aanvrager meer duidelijkheid geeft wanneer het besluit daarop moet zijn genomen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
10. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.