ECLI:NL:RBDHA:2025:23795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
09-230047-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van diefstal en afpersing na seksdate met minderjarige medeverdachte

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van diefstal met geweld en afpersing in vereniging. De feiten zouden zich hebben afgespeeld in de woning van de aangever na een seksdate met een minderjarige medeverdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte goederen uit de woning van de aangever hebben meegenomen, maar er was onvoldoende bewijs om te concluderen dat dit onder bedreiging of geweld is gebeurd. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kon worden bewezen, waardoor de verdachte werd vrijgesproken van beide feiten. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, werd vrijgesproken. De uitspraak werd gedaan in een meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken, waarbij de kinderrechters de zaak behandelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09/230047-24
Datum uitspraak: 4 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 20 november 2025.
De officier van justitie in deze zaak is mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en de raadsman van de verdachte is mr. T. Kocabas te Zoetermeer. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te 's-Gravenhage omstreeks 00:20 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (merk iPhone) en/of een oplader, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of
gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [aangever] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of
- een mes te tonen aan die [aangever] en/of
- dat mes tegen de keel van die [aangever] te zetten en/of houden;
2.
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (merk Samsung) en/of een laptop (merk HP), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n)
door:
- die [aangever] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of
- een mes te tonen aan die [aangever] en/of
- dat mes tegen de keel van die [aangever] te zetten en/of houden.

3.De geldigheid van de dagvaarding

3.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich (primair) op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 (afpersing in vereniging) nietig is, nu dit feit zich, gelet op de daarin genoemde goederen, omstandigheden en gedragingen, niet laat onderscheiden van feit 1 (diefstal met geweld in vereniging) en de delictsomschrijvingen elkaar uitsluiten. Hierdoor is de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig, hetgeen in strijd is met de vereiste rechtszekerheid, aldus de verdediging.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 geldig is.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Het verweer van de verdediging slaagt alleen al niet omdat feit 1 het verwijt betreft dat een iPhone en een oplader onder (bedreiging met) geweld zijn weggenomen en feit 2 dat aangever onder (bedreiging met) geweld is gedwongen een telefoon van het merk Samsung en een laptop van het merk HP af te geven. Het gaat in feit 1 dus om andere goederen dan in feit 2. De tenlastegelegde twee feiten sluiten elkaar niet uit en van een innerlijk tegenstrijdige, en daarmee ongeldige, dagvaarding is geen sprake.

4.De bewijsbeslissing

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van het gebruik van een mes, van welke onderdeel in beide feiten de verdachte volgens de officier van justitie moet worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte ten aanzien van deze feiten - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest, en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden, zonder bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van twee jaren.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit omdat volgens hem wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
3.3
Vrijspraak
Op grond van de aangifte en de verklaring van de verdachte kan worden vastgesteld, en dus worden bewezen, dat op 17 mei 2024 omstreeks 00:20 uur in de woning van de aangever in Den Haag een seksdate plaatsvond tussen aangever en de (minderjarige) medeverdachte, dat de verdachte met de medeverdachte was meegegaan naar die woning ter bescherming van de medeverdachte, hij buiten de woning heeft gewacht en hij, nadat er seksuele handelingen hadden plaatsgevonden tussen de aangever en de medeverdachte, de woning van de aangever, terwijl hij gezichtsbedekking droeg, heeft betreden. De aangever heeft ook verklaard dat de medeverdachte eerst had voorgesteld de seksdate te laten plaatsvinden op een locatie buiten, maar de aangever wilde afspreken in zijn woning en dat de medeverdachte hiermee uiteindelijk instemde. Op basis van de aangifte en de verklaring van de verdachte staat ook vast en kan ook worden bewezen dat de verdachte en de medeverdachte de woning van de aangever enige tijd later hebben verlaten met twee telefoons en een laptop van de aangever.
De rechtbank staat voor de vraag of ook kan worden bewezen, zoals de verdachte is tenlastegelegd, dat deze goederen van de aangever naar de verdachte en de medeverdachte zijn overgegaan onder toepassing van geweld en bedreiging daarmee. Aangever heeft als volgt verklaard; hij zou zijn geslagen, hem zou een mes zijn getoond en dit mes zou tegen zijn keel zijn gezet dan wel gehouden. Volgens de verdachte echter heeft de aangever, omdat hij wilde voorkomen dat de verdachte en zijn medeverdachte de politie zouden inseinen en over de seksdate (tussen de aangever en een minderjarige jongen) zouden vertellen, de telefoons en de laptop aan hen afgegeven.
Voor de aangifte kan steun worden gevonden in de omstandigheid dat de aangever heel snel nadat de verdachte en de medeverdachte zijn woning hadden verlaten, de politie heeft ingelicht en zijn huisarts nog diezelfde dag heeft geconstateerd dat de aangever een zwelling/bult aan de linkerzijde van het voorhoofd had.
Er is echter ook sprake van omstandigheden die niet passen bij de door de aangever geschetste gang van zaken.
Allereerst is van belang dat de goederen die de aangever kwijt is, niet bij de verdachte en/of zijn medeverdachte zijn aangetroffen. Volgens de verdachte hebben zij de goederen vrijwel meteen na het vertrek uit de woning van de aangever in de bosjes gegooid op het Oranjeplein, hetgeen wordt ondersteund door informatie van “find my iPhone”, waaruit blijkt dat een van de meegenomen telefoons van de aangever een zendmast heeft aangestraald op dat plein. Het direct weggooien van de meegenomen goederen van de aangever valt niet te rijmen met de aan de verdachte verweten diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing. Immers, dan zou hun oogmerk – het doel – gericht zijn geweest op de verkrijging van diezelfde goederen.
Van belang is verder dat de verbalisanten die op de melding van de aangever afkomen en hem om 02.12 uur spreken, geen letsel zien bij de aangever, terwijl de aangever heeft verklaard vele klappen te hebben gekregen en een beurse onderkaak te hebben. Dit past ook niet bij de bevindingen van de huisarts diezelfde dag. Hier komt bij dat de aangever ongeveer drie maanden na 17 mei 2024, als hij opnieuw door de politie wordt gehoord, verklaart dat hij als gevolg van de gebeurtenissen in zijn woning een pijnlijke kaak heeft opgelopen, een stijve nek en bulten in zijn gezicht en dat zijn huisarts heeft gezegd dat hij een gekneusde kaak heeft opgelopen, hetgeen niet geheel in overeenstemming is met de medische informatie die de huisarts heeft verstrekt.
Voor het tonen en gebruik van een mes kan in het dossier in het geheel geen steunbewijs worden gevonden.
De rechtbank heeft verder nog meegewogen dat op screenshots van beelden van de camera’s die in de lift van het appartementencomplex waarin de woning van de aangever is gelegen, hangen, is te zien dat de medeverdachte in de spiegel zijn uiterlijk bestudeert, zijn kleren recht trekt, zijn haar goed doet en zijn tanden bekijkt. Dit gedrag strookt niet met gedrag dat valt te verwachten van een verdachte die kort daarna, met een ander, onder (bedreiging met) geweld goederen wegneemt
Weliswaar kan de rechtbank vaststellen dat de verdachten goederen uit de woning hebben meegenomen en dat er – gelet op het letsel van aangever - enige vorm van geweld heeft plaatsgevonden. Echter kan een relatie tussen die beide vaststellingen niet worden gelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat vrijspraak moet volgen.

4.De vordering van de benadeelde partij

[aangever] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. van der Laan, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces via mr. S.M. Diekstra. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 6.194,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op een bedrag van € 1.194,- aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De raadsman van de verdachte heeft verweer gevoerd tegen toewijzing van de vordering omdat volgens hem vrijspraak van het tenlastegelegde moet volgen.
4.1
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, kinderrechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhof, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2025.