3.3Vrijspraak
Op grond van de aangifte en de verklaring van de verdachte kan worden vastgesteld, en dus worden bewezen, dat op 17 mei 2024 omstreeks 00:20 uur in de woning van de aangever in Den Haag een seksdate plaatsvond tussen aangever en de (minderjarige) medeverdachte, dat de verdachte met de medeverdachte was meegegaan naar die woning ter bescherming van de medeverdachte, hij buiten de woning heeft gewacht en hij, nadat er seksuele handelingen hadden plaatsgevonden tussen de aangever en de medeverdachte, de woning van de aangever, terwijl hij gezichtsbedekking droeg, heeft betreden. De aangever heeft ook verklaard dat de medeverdachte eerst had voorgesteld de seksdate te laten plaatsvinden op een locatie buiten, maar de aangever wilde afspreken in zijn woning en dat de medeverdachte hiermee uiteindelijk instemde. Op basis van de aangifte en de verklaring van de verdachte staat ook vast en kan ook worden bewezen dat de verdachte en de medeverdachte de woning van de aangever enige tijd later hebben verlaten met twee telefoons en een laptop van de aangever.
De rechtbank staat voor de vraag of ook kan worden bewezen, zoals de verdachte is tenlastegelegd, dat deze goederen van de aangever naar de verdachte en de medeverdachte zijn overgegaan onder toepassing van geweld en bedreiging daarmee. Aangever heeft als volgt verklaard; hij zou zijn geslagen, hem zou een mes zijn getoond en dit mes zou tegen zijn keel zijn gezet dan wel gehouden. Volgens de verdachte echter heeft de aangever, omdat hij wilde voorkomen dat de verdachte en zijn medeverdachte de politie zouden inseinen en over de seksdate (tussen de aangever en een minderjarige jongen) zouden vertellen, de telefoons en de laptop aan hen afgegeven.
Voor de aangifte kan steun worden gevonden in de omstandigheid dat de aangever heel snel nadat de verdachte en de medeverdachte zijn woning hadden verlaten, de politie heeft ingelicht en zijn huisarts nog diezelfde dag heeft geconstateerd dat de aangever een zwelling/bult aan de linkerzijde van het voorhoofd had.
Er is echter ook sprake van omstandigheden die niet passen bij de door de aangever geschetste gang van zaken.
Allereerst is van belang dat de goederen die de aangever kwijt is, niet bij de verdachte en/of zijn medeverdachte zijn aangetroffen. Volgens de verdachte hebben zij de goederen vrijwel meteen na het vertrek uit de woning van de aangever in de bosjes gegooid op het Oranjeplein, hetgeen wordt ondersteund door informatie van “find my iPhone”, waaruit blijkt dat een van de meegenomen telefoons van de aangever een zendmast heeft aangestraald op dat plein. Het direct weggooien van de meegenomen goederen van de aangever valt niet te rijmen met de aan de verdachte verweten diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing. Immers, dan zou hun oogmerk – het doel – gericht zijn geweest op de verkrijging van diezelfde goederen.
Van belang is verder dat de verbalisanten die op de melding van de aangever afkomen en hem om 02.12 uur spreken, geen letsel zien bij de aangever, terwijl de aangever heeft verklaard vele klappen te hebben gekregen en een beurse onderkaak te hebben. Dit past ook niet bij de bevindingen van de huisarts diezelfde dag. Hier komt bij dat de aangever ongeveer drie maanden na 17 mei 2024, als hij opnieuw door de politie wordt gehoord, verklaart dat hij als gevolg van de gebeurtenissen in zijn woning een pijnlijke kaak heeft opgelopen, een stijve nek en bulten in zijn gezicht en dat zijn huisarts heeft gezegd dat hij een gekneusde kaak heeft opgelopen, hetgeen niet geheel in overeenstemming is met de medische informatie die de huisarts heeft verstrekt.
Voor het tonen en gebruik van een mes kan in het dossier in het geheel geen steunbewijs worden gevonden.
De rechtbank heeft verder nog meegewogen dat op screenshots van beelden van de camera’s die in de lift van het appartementencomplex waarin de woning van de aangever is gelegen, hangen, is te zien dat de medeverdachte in de spiegel zijn uiterlijk bestudeert, zijn kleren recht trekt, zijn haar goed doet en zijn tanden bekijkt. Dit gedrag strookt niet met gedrag dat valt te verwachten van een verdachte die kort daarna, met een ander, onder (bedreiging met) geweld goederen wegneemt
Weliswaar kan de rechtbank vaststellen dat de verdachten goederen uit de woning hebben meegenomen en dat er – gelet op het letsel van aangever - enige vorm van geweld heeft plaatsgevonden. Echter kan een relatie tussen die beide vaststellingen niet worden gelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat vrijspraak moet volgen.