ECLI:NL:RBDHA:2025:23821

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/4038
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van bewonersparkeervergunning door gemeente Den Haag na gewijzigd inzicht in vergunningverlening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn bewonersparkeervergunning behandeld. Eiser had op 2 oktober 2024 een vergunning aangevraagd, die op 23 december 2024 werd verleend. Echter, op 22 januari 2025 ontving hij een voornemen tot intrekking van de vergunning, dat op 6 februari 2025 werd uitgevoerd. De gemeente stelde dat de vergunning ten onrechte was verleend, omdat het adres van eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor vergunningverlening, zoals vastgelegd in de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022. Eiser was het niet eens met de intrekking en stelde dat de gemeente te laat op zijn bezwaar had beslist. De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de vergunning gerechtvaardigd was op basis van een gewijzigd inzicht van de gemeente, dat pas na de vergunningverlening bekend werd. De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de vergunning op juridisch juiste gronden was gebeurd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg wel het griffierecht vergoed, omdat de gemeente te laat op het bezwaar had beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4038

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn bewonersparkeervergunning (hierna ook: “de vergunning”).
1.1
Verweerder heeft op 22 januari 2025 een voornemen tot intrekking van de vergunning per 1 maart 2025 aan eiser verzonden. De bewonersparkeervergunning is bij besluit van 6 februari 2025 daadwerkelijk ingetrokken (hierna: “het primaire besluit”).
1.2
Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 heeft verweerder op het bezwaar van eiser beslist en is hij bij het eerdere besluit tot intrekking gebleven (hierna: “de beslissing op bezwaar” of “het bestreden besluit”).
1.3
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, met zijn partner als toehoorder, en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser woont aan de [adres] te [woonplaats] . Hij heeft op 2 oktober 2024 een bewonersparkeervergunning aangevraagd bij verweerder voor het gebied [gebied] . Deze vergunning is bij besluit van 23 december 2024 aan hem verleend (vergunningnummer [nummer] ) .
2.1
In het primaire besluit is opgenomen dat de reden voor de intrekking van deze vergunning is dat uit de omgevingsvergunning [1] en het huisnummerbesluit [2] zou volgen dat het adres van eiser “niet meer aan de voorwaarden voldoet voor een vergunning”. Daarom is verweerder in het primaire besluit overgegaan tot intrekking op grond van artikel 2.5, sub i van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (hierna: de Regeling).
2.2
In het bestreden besluit heeft verweerder deze conclusie gehandhaafd en de motivering met het volgende aangevuld. Uit artikel 4.2.1, lid 1, sub d van de Regeling volgt dat bewoners van een adres waarvoor een reductie van de autoparkeervraag is toegepast, geen recht hebben op een bewonersparkeervergunning. De bevoegde afdeling voor het verlenen van parkeervergunningen (hierna: “de Afdeling Parkeren”) was pas op 18 december 2024 bekend met de toepasselijkheid van deze bepaling op het adres van eiser. Vanwege dit
gewijzigde inzichtbij deze afdeling is de vergunning van eiser ingetrokken. De intrekking is hiermee gebaseerd op artikel 2.5, sub i van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (hierna: “De Verordening”). [3]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt ten eerste dat verweerder te laat op zijn bezwaar heeft beslist. Eiser stelt verweerder bij het beroepschrift in gebreke en voert aan dat verweerder uiterlijk 22 mei 2025 op zijn bezwaar had moeten beslissen, namelijk 12 weken en één dag na het indienen van het bezwaarschrift op 26 februari 2025. Omdat verweerder uiteindelijk op 26 mei 2025 heeft beslist, is de beslistermijn overschreden en is zijn situatie nog nijpender geworden.
3.1
Eiser is het ook inhoudelijk niet eens met (de motivering van) het bestreden besluit. Verweerder kon niet concluderen dat hij niet meer aan de voorwaarden voor vergunningverlening voldeed, omdat zijn situatie tussen verlening en intrekking van de vergunning niet gewijzigd is. Verder vindt eiser dat de hardheidsclausule in zijn geval van toepassing is. Hij beroept zich op zijn hoge leeftijd, de noodzaak van een auto, dat hij een duurzame elektrische auto heeft, dat hij geen parkeerplaats op eigen terrein (hierna: POET) heeft en dat de intrekking tot groot ongemak en vernietiging van zijn woongenot leidt.
3.2
Eiser vindt ten derde dat hij niet correct behandeld is en dat verweerder geen serieus alternatief heeft geboden voor zijn situatie na de intrekking van zijn parkeervergunning.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Verlening van de vergunning
4. Uit artikel 4.2.1, eerste lid van de Regeling volgen vier cumulatieve voorwaarden voor vergunningverlening. Verweerder kan een bewonersparkeervergunning verlenen aan een bewoner die
(i) in een vergunningsgebied woont;
(ii) houder of berijder van een motorvoertuig is;
(iii) niet over een POET kan beschikken;
(iv) niet woont in een gebouw of gebouwencomplex waarvoor een reductie van de autoparkeervraag is toegepast of een vrijstelling van de autoparkeereis is verleend.
4.1
Niet in geschil is dat eiser voldoet aan de eerste drie voorwaarden als bedoeld in artikel 4.1.2. van de Regeling. Gelet op de omgevingsvergunning was ten tijde van het primaire en het bestreden besluit echter niet aan de vierde voorwaarde voldaan. Uit die omgevingsvergunning blijkt immers dat voor het gebouw aan de [straatnaam] , waaronder nummer [huisnummer] (zie ook het huisnummerbesluit), een reductie van de autoparkeervraag is toegepast. Aan deze voorwaarde wordt overigens tot op heden nog steeds niet voldaan.
Intrekking van de vergunning
5. In artikel 2.5, eerste lid, van de Verordening zijn de mogelijkheden voor intrekking van een bewonersparkeervergunning opgenomen. In sub i staat dat een vergunning kan worden ingetrokken wanneer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang van de verkeersveiligheid of het gemeentelijk beleid betreffende parkeerregulering.
5.1
Zowel de omgevingsvergunning als het huisnummerbesluit dateren van voor de aanvraag van de vergunning door eiser. Verweerder heeft erkend dat de vergunning dus niet aan eiser had moeten worden verleend. Dat dit wel is gebeurd, komt doordat de Afdeling Parkeren niet op de hoogte was gesteld van de omgevingsvergunning. Verweerder stelt dat pas op 18 december 2024 de Afdeling Parkeren hiervan op de hoogte gesteld en is duidelijk geworden dat er geen vergunningen aan de bewoners van het adres van eiser worden verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van een gewijzigd inzicht, dat is ontstaan na de vergunningverlening en berust op informatie die ten tijde van die verlening nog niet bij de Afdeling Parkeren bekend was. Zo dit namelijk wel bekend was bij de Afdeling Parkeren was ten tijde van de aanvraag was de vergunning namelijk nooit verleend geweest. Gelet op het voorgaande is sprake van een situatie zoals beschreven in artikel 2.5, eerste lid, onder i van de Verordening. Op grond daarvan was verweerder bevoegd om de vergunning van eiser in te trekken.
5.2
Verweerder heeft de ervaring van eiser voor wat betreft de communicatie rondom het intrekken van de parkeervergunning terecht betreurd en ook terecht excuses hiervoor aangeboden. Hoe vervelend dit alles ook voor eiser echter ook is verlopen, de rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze gemaakte fout mocht worden hersteld door middel van het intrekken van de vergunning. De beroepsgronden slagen niet.
Hardheidsclausule
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afwijzing van de aanvraag niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aangevoerde omstandigheden van eiser, zoals zijn leeftijd (71 jaar), en het feit dat hij een elektrische auto rijdt, niet dermate bijzonder zijn dat in afwijking van de regelgeving aan hem wel een vergunning toekomt op zijn woonadres.
Gebreken in de besluitvorming
7. Niet in geschil is dat verweerder vier dagen te laat op het bezwaar van eiser heeft beslist. Het had echter op de weg van eiser gelegen om verweerder in gebreke te stellen toen de beslissing op bezwaar uitbleef. In het geval dat verweerder dan niet zou reageren, had eiser een ‘beroep niet-tijdig’ moeten indienen. Dat heeft eiser allemaal niet gedaan: pas in zijn beroepschrift heeft hij verweerder op de te late beslissing gewezen. Desondanks staat vast dat de beslissing op bezwaar te laat is genomen. Dit is een gebrek.
7.1
Aan dit gebrek kan de rechtbank voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het bestreden besluit, ondanks het feit dat deze te laat is genomen, in stand blijft. Het is immers niet aannemelijk dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. De bewonersparkeervergunning was namelijk al ingetrokken en het bezwaar (en beroep) van eiser hebben geen schorsende werking. [4] Ook heeft eiser zijn standpunt in de beroepsprocedure kunnen toelichten.
Overweging ten overvloede
8. De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Dat de plotselinge intrekking van de bewonersparkeervergunning impact op (het leven van) eiser heeft gehad, is invoelbaar. De rechtbank snapt dat de door verweerder aangedragen alternatieven voor het parkeren in eigen straat eiser niet kunnen bekoren: deze zijn vanuit praktisch of financieel opzicht niet realistisch. Eiser heeft ter zitting aangegeven baat te hebben bij het uitbreiden van het aantal uur dat beschikbaar wordt gemaakt bij een bezoekersparkeervergunning. De rechtbank geeft verweerder dan ook mee om serieus te bekijken of dit als een passende compensatie kan worden gezien voor het hiervoor beschreven ongemak dat eiser ervaart.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op juridisch juiste gronden is overgegaan tot intrekking van de bewonersparkeervergunning van eiser.
9.1
Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dit geval geen aanleiding. Niet gebleken is namelijk dat eiser zich voor deze procedure heeft laten bijstaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Ook van andere vergoedbare proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht 2025 is niet gebleken.
9.2
Omdat verweerder te laat op het bezwaar van eiser heeft beslist en dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:41, achtste lid van de Awb gelasten om het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het griffierecht van 194 euro aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. C. Hofman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Van 23 december 2021 (kenmerk: 202009506/8148400).
2.Besluit tot het vaststellen van nummeraanduidingen van 24 januari 2022.
3.In het primaire besluit stond ten onrechte nog “Regeling” in plaats van Verordening, zie rechtsoverweging 2.1.
4.Zie artikel 6:16, eerste lid van de Awb.