In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn bewonersparkeervergunning behandeld. Eiser had op 2 oktober 2024 een vergunning aangevraagd, die op 23 december 2024 werd verleend. Echter, op 22 januari 2025 ontving hij een voornemen tot intrekking van de vergunning, dat op 6 februari 2025 werd uitgevoerd. De gemeente stelde dat de vergunning ten onrechte was verleend, omdat het adres van eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor vergunningverlening, zoals vastgelegd in de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022. Eiser was het niet eens met de intrekking en stelde dat de gemeente te laat op zijn bezwaar had beslist. De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de vergunning gerechtvaardigd was op basis van een gewijzigd inzicht van de gemeente, dat pas na de vergunningverlening bekend werd. De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de vergunning op juridisch juiste gronden was gebeurd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg wel het griffierecht vergoed, omdat de gemeente te laat op het bezwaar had beslist.