ECLI:NL:RBDHA:2025:23837

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/4348
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet tijdige betaling griffierecht

Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een brief van Bureau Wbtv van de Raad voor Rechtsbijstand, waarin zijn ingebrekestelling niet-ontvankelijk werd verklaard. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting vanwege de kennelijke niet-ontvankelijkheid.

Het griffierecht van €53,- moest binnen een gestelde termijn worden betaald. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht op grond van betalingsonmacht, maar dit verzoek is afgewezen omdat hij niet voldeed aan de criteria omtrent inkomen en vermogen. De financiële gegevens die verzoeker aanleverde boden onvoldoende inzicht in zijn actuele situatie.

De griffier heeft verzoeker meerdere malen in de gelegenheid gesteld het griffierecht alsnog te betalen, maar dit is niet tijdig gebeurd. Verzoeker gaf geen verontschuldiging voor het verzuim. Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4348

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.E.S. Tomeij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een brief van Bureau Wbtv van de Raad voor Rechtsbijstand van 5 juni 2025, waarbij verweerder de ingebrekestelling van verzoeker van 21 april 2025 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en rechtstreeks beroep ingesteld. [1] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [2] In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Om vrijgesteld te kunnen worden van het betalen van griffierecht, mag het netto inkomen van verzoeker niet hoger zijn dan 95% van een maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande, en mag er geen sprake zijn van vermogen.
2.2.
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft de griffier laten weten dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen. Naar aanleiding van de door verzoeker verstrekte gegevens is de voorzieningenrechter van mening dat verzoeker niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om nogmaals naar het verzoek om vrijstelling van het griffierecht te kijken. Bij brief van 14 oktober 2025 heeft de griffier laten weten dat de e-mailberichten van verzoeker van 2 en 9 oktober 2025 geen aanleiding geven om terug te komen van de beslissing om het verzoek om vrijstelling van het griffierecht af te wijzen.
2.3.
Met de overgelegde Verklaring geregistreerd inkomen over 2023 van de Belastingdienst, de overgelegde bankafschriften van de persoonlijke rekening (afschriften van 24 april 2025 tot 24 juli 2025), de overgelegde bankafschriften van de zakelijke rekening van verzoeker (afschriften van de eenmanszaak voor de periode 7 januari 2025 tot 1 oktober 2025) heeft verzoeker zijn algehele financiële situatie onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Het is aan verzoeker om te onderbouwen dat het netto inkomen onder de vastgestelde grens ligt en dat geen sprake is van vermogen. De wijze waarop verzoeker dat heeft gedaan is te beperkt om het verzoek om vrijstelling toe te kunnen wijzen. De omstandigheid dat de rechtbank Rotterdam in een eerdere zaak zijn verzoek om vrijstelling wel heeft toegewezen, is daarvoor ook geen onderbouwing. Ook het feit dat verzoeker schulden heeft is op zichzelf onvoldoende om voor vrijstelling in aanmerking te komen. De schulden zeggen immers niets over de inkomsten. De Verklaring geregistreerd inkomen over 2023 zegt dan weer niets over de huidige inkomsten en is daarom onvoldoende.
2.4.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 2 oktober 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 11 oktober 2025 om 14:43 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.5.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaak nr. SGR 25/4248.
2.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.