ECLI:NL:RBDHA:2025:23839
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen camerabewaking door woningcorporatie
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van de Autoriteit Persoonsgegevens om geen corrigerende maatregelen te nemen tegen de derde-partij, een woningcorporatie. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om de woningcorporatie op te dragen de camerabewaking te verwijderen of uit te schakelen voor de duur van de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet heeft toegelicht welke onomkeerbare nadelige gevolgen hij ondervindt van het cameratoezicht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan wachten op een uitspraak in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 2 december 2025 en is openbaar uitgesproken.