ECLI:NL:RBDHA:2025:23839
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen cameratoezicht woningcorporatie
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de woningcorporatie te verplichten de camerabewaking bij zijn appartementencomplex te verwijderen of uit te schakelen gedurende de beroepsprocedure. De klacht betrof een vermeende schending van de AVG door het cameratoezicht.
De Autoriteit Persoonsgegevens had aanvankelijk de klacht niet verder onderzocht, maar na bezwaar alsnog een inhoudelijke beoordeling gedaan. De woningcorporatie had aanpassingen doorgevoerd waardoor de overtreding was beëindigd en geen gegronde vrees voor herhaling bestond. Verzoeker stelde dat het besluit evident onrechtmatig was en dat er sprake was van een voortdurende inbreuk op zijn privacy.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had omdat hij pas na ruim negen maanden na het opnieuw in werking stellen van de camera's een voorlopige voorziening had gevraagd en niet had toegelicht welke onomkeerbare nadelige gevolgen hij ondervond. Ook was het niet aannemelijk dat een uitspraak in de bodemprocedure niet kon worden afgewacht.
Verder was het verzoek te verstrekkend omdat de woningcorporatie geen bestuursorgaan is. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder zitting. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het cameratoezicht is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.