ECLI:NL:RBDHA:2025:23839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/6466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen camerabewaking door woningcorporatie

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van de Autoriteit Persoonsgegevens om geen corrigerende maatregelen te nemen tegen de derde-partij, een woningcorporatie. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om de woningcorporatie op te dragen de camerabewaking te verwijderen of uit te schakelen voor de duur van de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet heeft toegelicht welke onomkeerbare nadelige gevolgen hij ondervindt van het cameratoezicht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan wachten op een uitspraak in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 2 december 2025 en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6466

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.W. Hu),
en

Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Beckers en mr. W. van Steenbergen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. E. de Ruiter).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing door verweerder om geen corrigerende maatregelen te nemen tegen de derde-partij. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Bij besluit van 10 november 2023 heeft verweerder besloten om de door verzoeker op grond van de AVG ingediende klacht, met daarbij een verzoek om corrigerende maatregelen te nemen, [1] niet verder te onderzoeken.
1.2.
Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de klacht alsnog inhoudelijk behandeld. Er heeft een interventie plaatsgevonden die ertoe heeft geleid dat de derde-partij alsnog de vereiste aanpassingen heeft gedaan om het cameratoezicht in lijn te brengen met de AVG. De overtreding is daarmee beëindigd en er bestaat volgens verweerder geen gegronde vrees voor herhaling. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De derdepartij heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft een klacht ingediend bij verweerder over de camerabewaking bij het appartementencomplex waar hij woont. De woningcorporatie – de derde-partij – houdt toezicht met camera’s op de toegang tot het complex en (een deel van) de parkeerplaats sinds 8 maart 2023 (met een onderbreking van 18 september 2024 tot 20 december 2024). Verweerder heeft het verzoek om handhaving in eerste instantie afgewezen omdat op grond van de beschikbare informatie geen overtreding kon worden vastgesteld en de zaak op grond van de prioriteringscriteria niet in aanmerking kwam voor nader onderzoek. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder alsnog nader onderzoek gedaan. Omdat de derde-partij gedurende de bezwaarprocedure de instellingen van, en de informatievoorziening over de camera’s, heeft aangepast, is volgens verweerder niet langer sprake van een overtreding en ziet hij geen aanleiding om corrigerende maatregelen te nemen tegen de derde-partij. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze zaak het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de derde-partij voor de duur van de beroepsprocedure wordt opgedragen de camerabewaking te verwijderen of uit te schakelen, op straffe van een rechterlijke dwangsom. Het besluit van 17 juni 2025 is evident onrechtmatig. De camerabewaking voldoet niet aan artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG. Er is sprake van een spoedeisend belang nu de camerabewaking een voortdurende inbreuk vormt op zijn recht op eerbieding van zijn persoonlijke levenssfeer. Hij wijst op een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2021. [2] Volgens verzoeker kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij vraagt de voorzieningenrechter daarom om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak (artikel 8:86 van de Awb).
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder wijst erop dat de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening niet kan treffen, omdat de woningcorporatie niet het verwerende bestuursorgaan is in deze zaak. Alleen daarom al kan het verzoek niet worden toegewezen, aldus verweerder. Voor zover verzoeker de voorzieningenrechter het verzoek doet om verweerder op te dragen handhavend op te treden tegen de derde-partij, stelt verweerder zich op het standpunt dat dit verzoek te verstrekkend van aard is. Van handhavend optreden kan pas sprake zijn in het geval van een overtreding. Bovendien is geen sprake van een spoedeisend belang. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
5.1.
Verweerder wijst er terecht op dat eiser, nadat de camera’s opnieuw in werking zijn gesteld, zo’n negen maanden heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De stelling van verzoeker dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij te laat om een voorlopige voorziening heeft verzocht en het op de weg van verweerder had gelegen om de derde-partij op te dragen de camerabewaking te staken nu verweerder de klacht van verzoeker nog inhoudelijk aan het beoordelen was, wordt niet gevolgd. Daartoe is redengevend dat verzoeker al hangende het bezwaar om een voorlopige voorziening had kunnen vragen. Daarbij is het verzoek ook pas zo’n tweeënhalve maand na de beslissing op bezwaar ingediend. Uit dit tijdsverloop blijkt niet dat de belangen van verzoeker spoedeisend zijn. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2021 maakt voorgaande niet anders, nu in die zaak de twee camera’s (waartoe de burgemeester had besloten) nog moesten worden geplaatst.
5.2.
Volgens verzoeker heeft hij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening omdat de camerabewaking een voortdurende inbreuk vormt op zijn recht op eerbieding van zijn persoonlijke levenssfeer. Als een dergelijke inbreuk gerechtvaardigd is, dan is er geen sprake van een overtreding. Partijen verschillen hierover van mening. Zonder een inhoudelijk oordeel te geven over dit onderdeel van het geschil, overweegt de voorzieningenrechter dat zij uit de stukken opmaakt dat de derde-partij uiteen heeft gezet dat de camerabeelden niet live worden bekeken maar alleen achteraf, als sprake is geweest van een incident en dat slechts een beperkt aantal medewerkers binnen de woningcorporatie toegang heeft tot de camerabeelden. Daarnaast worden de beelden slechts voor een beperkte periode van zeven dagen bewaard. Verzoeker heeft niet toegelicht welke (onomkeerbare) nadelige gevolgen hij desalniettemin ondervindt van het cameratoezicht. Het is de voorzieningenrechter daarom niet gebleken dat verzoeker een uitspraak in de bodemprocedure niet kan afwachten.
5.3.
Gelet op het voorgaande heeft verzoeker het spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorlopige voorziening onvoldoende aangetoond. Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen nog een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in stand zal blijven. Daar zijn in dit geval geen aanwijzingen voor.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is kennelijk ongegrond, de voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 58, tweede lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
2.Uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6702.