ECLI:NL:RBDHA:2025:23940
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op basis van onvoldoende bewijs van uitzonderlijke afhankelijkheid
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 december 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER behandeld. Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft en in het verleden het Nederlanderschap heeft gehad, is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiser en komt tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd die aantonen dat hij in een uitzonderlijke situatie verkeert die hem recht geeft op een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU. De rechtbank legt uit dat volgens het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een dergelijke afhankelijkheidsrelatie slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij niet van zijn referent kan worden gescheiden, en de rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.