ECLI:NL:RBDHA:2025:23940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.10656
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op basis van onvoldoende bewijs van uitzonderlijke afhankelijkheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 december 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER behandeld. Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft en in het verleden het Nederlanderschap heeft gehad, is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiser en komt tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd die aantonen dat hij in een uitzonderlijke situatie verkeert die hem recht geeft op een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU. De rechtbank legt uit dat volgens het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een dergelijke afhankelijkheidsrelatie slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij niet van zijn referent kan worden gescheiden, en de rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10656

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2018 in de zaak K.A., ECLI:EU:C:2017:821. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben vooraf aan de rechtbank laten weten niet op de zitting te zullen verschijnen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1961. Met ingang van 21 januari 2000 is aan eiser het Nederlanderschap verleend. Op 17 januari 2007 is het besluit, waarbij aan hem het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken. Op 30 juli 2024 is namens eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser stelt een familielid (oom) te zijn van een meerderjarige burger van de Europese Unie ( [naam referent] ; hierna: referent) en stelt op grond daarvan een afgeleid verblijfsrecht te hebben op grond van artikel 20 van het VWEU.
3.1.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser geen bewijsstukken heeft opgestuurd waaruit blijkt dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij hij zo afhankelijk is van referent dat hij niet voor zichzelf kan zorgen en dat hij op geen enkele manier van hem gescheiden kan worden. De afwijzing is niet in strijd met het recht op familie-, gezins- of privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, is van horen in bezwaar afgezien, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in het arrest K.A. Eiser stelt in dit verband dat hij volledig ten laste komt van referent en dat hij heeft te kampen met medische klachten. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat hij volledig afhankelijk is van referent en niet zelfredzaam is.
4.1.
In het arrest K.A. heeft het Hof overwogen dat volwassenen in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Verder heeft het Hof in punt 65 van dat arrest gespecificeerd dat een situatie waarin tussen twee volwassen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan, slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is. Dit is het geval indien de betrokkene op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is.
4.2.
Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier niet gebleken. Verweerder stelt terecht dat de enkele omstandigheid dat eiser een zweversbestaan leidt, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser op geen enkele wijze kan worden gescheiden van referent. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat eiser alleen heeft gesteld dat hij veel tanden kwijt is, maar niet dat hij medische diagnoses heeft. Verweerder heeft in dit verband ook terecht opgemerkt dat eiser weliswaar op hetzelfde adres als referent is ingeschreven maar feitelijk niet bij referent inwoont. Ook anderszins is geen afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A. aangetoond.
4.3.
Omdat eiser de afhankelijkheidsrelatie met referent niet heeft aangetoond, komt hij niet in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. De beroepsgrond zoals vermeld onder 4. slaagt niet.
5. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure.
5.1.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1) volgt dat de plicht om te horen in bezwaar afhankelijk is van wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. De vuistregel hierbij is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te krijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
5.2.
In het primaire besluit heeft verweerder gemotiveerd waarom eiser geen aanspraak maakt op het gevraagde document en uiteengezet welke stukken daarvoor ontbreken. Ook was eerder, op 20 augustus 2024, al een herstelverzuimbrief gestuurd naar eiser waarin werd vermeld welke stukken nodig zijn om zijn aanvraag te onderbouwen en daarnaast is op 10 september 2024 telefonisch met gemachtigde van eiser besproken welke stukken nog ontbraken. In bezwaar heeft eiser geen gronden gericht tegen de afwijzingsgronden van het primaire besluit en evenmin heeft hij hierbij de benodigde stukken ingediend ter onderbouwing van zijn aanvraag. Eiser heeft ook niet toegelicht waarom hij niet aan de gevraagde stukken kan komen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser en referent zich niet voldoende bereidwillig en actief hebben ingespannen om de gewenste informatie te verkrijgen en die tijdig aan te leveren of tijdig aan te geven dat zij niet aan de gewenste stukken kunnen komen. Eiser heeft in bezwaar ook niet aangegeven dat hij wenst te worden gehoord.
5.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat wat in bezwaar is aangevoerd niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit is vervat. Verweerder kon daarom van het horen in bezwaar afzien. De onder 5. vermelde beroepsgrond faalt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.