ECLI:NL:RBDHA:2025:23949

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.21716
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor Afghaanse familieleden wegens ontbreken gezinsleven

Eisers, allen van Afghaanse nationaliteit, vroegen om machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) om in Nederland te verblijven bij hun meerderjarige familielid met de Nederlandse nationaliteit. De minister wees de aanvraag af omdat geen sprake is van gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro en het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat het jongvolwassenenbeleid vier cumulatieve voorwaarden kent die niet zijn vervuld: samenwonen in gezinsverband, niet zelfvoorzienend zijn, jongvolwassen zijn en geen eigen gezin hebben. De rechtbank acht de situatie van de referent, die al ruim tien jaar zelfstandig woont, werkt en studeert in Nederland, niet passend binnen dit beleid.

Verder concludeert de rechtbank dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden bestaan tussen de referent en de meerderjarige en minderjarige eisers. De situatie in Afghanistan en de afhankelijkheid van de familieleden worden onvoldoende onderbouwd om het gezinsleven aan te nemen.

Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding tot proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21716

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1972, V-nummer: [v-nummer 1] , eiser 1,

[eiseres 1] ,geboren op [geboortedatum 2] 1996, V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres 1,
[eiseres 2] ,geboren op [geboortedatum 3] 1997, V-nummer: [v-nummer 3] , eiseres 2,
[eiser 2] ,[geboortedatum 4] 2002, V-nummer: [v-nummer 4] , eiser 2,
[eiseres 3] ,[geboortedatum 5] 2007, V-nummer: [v-nummer 5] , eiseres 3,
[eiser 3] ,[geboortedatum 6] 2010, V-nummer: [v-nummer 6] , eiser 3,
[eiser 4] ,[geboortedatum 7] 2011, V-nummer: [v-nummer 7] , eiser 4,
tezamen aangeduid als eisers,
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun gezamenlijke aanvraag voor het afgeven van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid.”
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers hebben allen de Afghaanse nationaliteit. Eisers hebben op 12 januari 2023 een aanvraag ingediend voor mvv’s omdat zij in Nederland willen verblijven bij hun meerderjarige (stief)zoon respectievelijk broer, [naam] (referent). Referent heeft in Nederland verbleven met een verblijfsvergunning asiel en heeft nu de Nederlandse nationaliteit.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen referent en zijn vader, stiefmoeder, broers en zussen. Referent voldoet niet aan het jongvolwassenenbeleid en tussen hem en zijn vader, stiefmoeder en meerderjarige broer en zus zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Tussen referent en zijn minderjarige broertjes en zusje bestaan geen hechte persoonlijke banden. Omdat er geen familie- en gezinsleven wordt aangenomen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, heeft verweerder geen belangenafweging gemaakt.
Wat vinden eisers in beroep?
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren het volgende aan. Allereest voldoet referent wel aan het jongvolwassenenbeleid. Verweerder moest bij deze beoordeling namelijk zowel de situatie voordat referent uit Afghanistan vertrok, als de situatie op het moment van de aanvraag, meenemen. Dat referent sinds zijn vlucht niet met zijn gezin woont, kan hem niet worden tegengeworpen omdat dit het gevolg is van zijn gedwongen vlucht. Daarnaast is er wel degelijk sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid respectievelijk hechte persoonlijke banden, nu de familieleden afhankelijk zijn van referent vanwege de slechte situatie in Afghanistan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In geschil tussen partijen is of het jongvolwassenbeleid op referent van toepassing is en of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden tussen referent en de verschillende eisers. De rechtbank geeft eisers geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Het jongvolwassenenbeleid
6. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [2] Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of er tussen dat kind en zijn ouder(s) sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op basis waarvan zij familie- of gezinsleven hebben. Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.
6.1.
De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het peilmoment in reguliere gezinsherenigingszaken voor de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven het moment van het besluit op de aanvraag is. [3] Dit geldt ook voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid, nu dit onderdeel uitmaakt van de beoordeling of er sprake is van familie- of gezinsleven. Uit dezelfde uitspraak volgt ook dat verweerder op het moment van zijn besluit op bezwaar alle feiten en omstandigheden moet betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, waaronder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds het primaire besluit. Het betoog van eisers dat verweerder moet beoordelen of er sprake is van familie- en gezinsleven op basis van de situatie ten tijde van het vertrek van referent uit Afghanistan of ten tijde van de aanvraag, slaagt daarom niet.
6.2.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] volgt ook dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, bijvoorbeeld vanwege een vluchtsituatie, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit wel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden. Uit deze uitspraak volgt echter niet dat stappen die naar zelfstandigheid worden ondernomen, reeds vanwege het gedwongen karakter van het vertrek als noodgedwongen stappen moeten worden aangemerkt. In dit geval heeft verweerder geconcludeerd dat referent niet voldoet aan de vereisten van het samenleven in gezinsverband en het niet voorzien in het eigen onderhoud. Verweerder heeft hierbij naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de gedwongen vlucht van referent en de ontwikkelingen door de tijd heen, waaronder het gegeven dat referent nu ruim tien jaar in Nederland verblijft en hier zelfstandig woont, werkt en studeert. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op referent van toepassing is.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en de meerderjarige eisers, of hechte persoonlijke banden tussen referent en de minderjarige eisers. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven zich in dit kader alleen te beroepen op de algehele situatie in Afghanistan. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [5] volgt dat de algehele veiligheidssituatie in een land relevant kan zijn voor de beoordeling of er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM als deze invloed heeft op de onderlinge afhankelijkheid. Humanitaire redenen zijn echter niet op zichzelf een grond om een mvv op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de algehele situatie in Afghanistan van invloed is op de afhankelijkheid tussen eisers en referent. Uit het gegeven dat eiser 1 in het verleden voor de Afghaanse overheid en Amerikaanse bedrijven heeft gewerkt, volgt namelijk niet dat hij nu afhankelijk is van referent. Er is dus niet gebleken dat de algehele situatie van invloed is op de aanwezigheid van bijkomende elementen van afhankelijkheid en/of hechte persoonlijke banden. Verweerder mocht er in dit kader ook op wijzen dat referent heeft verklaard dat de familie in goede gezondheid is en toegang heeft tot medische zorg en dat referent eventuele financiële steun ook vanuit Nederland kan bieden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8.1.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2748.