ECLI:NL:RBDHA:2025:23951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
09/197359-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden

Op 3 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 29 juni 2025 opzettelijk brand heeft gesticht in zijn eigen woning in ’s-Gravenhage. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, die lijdt aan chronische schizofrenie, met opzet een deken in brand heeft gestoken, wat gemeen gevaar voor goederen met zich meebracht. De verdachte heeft na het aansteken van de brand zijn buren gewaarschuwd en de brandweer gebeld, waardoor er geen levensgevaar voor personen is ontstaan. De rechtbank heeft de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken van het onderdeel dat er levensgevaar te duchten was, maar heeft het feit van brandstichting wettig en overtuigend bewezen verklaard. De officier van justitie had een gevangenisstraf van 18 maanden geëist, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals klinische psychiatrische behandeling. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling en ambulante behandeling. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan Stichting Hof Wonen voor de geleden schade door de brand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-197359-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
laatstelijk verblijvende op het adres [adres] , [postcode] te [plaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 2] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 oktober 2025 (pro forma) en 3 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. N. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.G.D. Rutten naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 juni 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres] , door open vuur in aanraking te brengen met een deken/textiel, althans enig goed, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of naastgelegen woningen en/of de inventaris van voornoemde woning en/of de inventaris van naastgelegen woningen, te duchten was, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
voor zich in de nabijheid van die woning/naastgelegen woningen bevindende
personen te duchten was.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het onderdeel dat levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Dat de verdachte met opzet de brand in zijn woning heeft gesticht en dat sprake was van gemeen gevaar voor goederen staat niet ter discussie. Wel is het de vraag of er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is geweest.
De verdachte heeft verklaard dat hij direct na het veroorzaken van de brand zijn buren heeft gewaarschuwd en dat die buren vervolgens ook meteen hun aangrenzende appartement hebben verlaten.
In het proces-verbaal van het forensisch brandonderzoek staat dat in het gebouw waar de woning van de verdachte zich bevindt zich meerdere woningen bevinden. Tijdens de brand zouden er meerdere mensen in die woningen aanwezig zijn geweest. Uit genoemd proces-verbaal blijkt echter niet in welke woningen personen aanwezig waren ten tijde van de brandstichting. Ook is onvoldoende duidelijk geworden hoe de woningen exact ten opzichte van de woning van de verdachte zijn gesitueerd. Evenmin is gebleken dat als gevolg van de brand constructieve schade aan het gebouw is ontstaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het onderdeel dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 29 juni 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres] , door open vuur in aanraking te brengen met een deken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten gemeen gevaar voor voornoemde woning en naastgelegen woningen en de inventaris van voornoemde woning en de inventaris van naastgelegen woningen, te duchten was.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die staan vermeld in het reclasseringsrapport van 19 november 2025, te weten een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
De officier van justitie heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals eveneens is geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die duurt tot het moment waarop de verdachte kan worden opgenomen in een zorginstelling en de verdachte voor het overige een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De verdediging heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr kan worden toegewezen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft brand gesticht in zijn eigen woning door met een aansteker een deken in de buurt van een kast aan te steken. De verdachte zag het leven niet meer zitten en het was een schreeuw om aandacht.
Na het aansteken van de brand is de verdachte naar eigen zeggen direct naar buiten gegaan en heeft hij zijn buren gewaarschuwd en de brandweer gebeld. De verdachte heeft de voordeur open gezet, zodat de brandweer zonder problemen naar binnen kon. De brandweer was vervolgens snel ter plaatse en heeft de brand geblust. Desalniettemin is er forse schade ontstaan aan de woning, die de verdachte huurde van Stichting Hof Wonen. Ook buiten de woning van de verdachte is schade ontstaan door de brand. In het trappenhuis van het appartementencomplex waarvan de woning van de verdachte deel uitmaakt en in de bovengelegen portieken is er roetaanslag ontstaan.
Naast het feit dat de brandstichting veel schade, overlast en hinder heeft veroorzaakt, is het feit ook voor de samenleving zeer verontrustend. Brandstichting is een zeer ernstig feit, met name vanwege de gevaarzetting en de verstrekkende gevolgen die het kan hebben. Gelet op de ernst van dit feit, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel aangewezen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 november 2025. Daaruit volgt dat er in 2021 een zaak tegen de verdachte is geseponeerd vanwege de gezondheidstoestand van de verdachte. Ook volgt uit het strafblad dat de verdachte in 1993 in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst en de verdachte in 1992 ook is veroordeeld voor brandstichting. Gelet op het grote tijdsverloop, zal de rechtbank deze veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen bij de bepaling van de hoogte van de straf.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia dubbelrapportage van psychiater dr. [naam] van 24 augustus 2025. Daaruit volgt dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van chronische schizofrenie. Daarnaast is voor zover bekend sprake van een stoornis in het gebruik van middelen in langdurige remissie. Ook tijdens de brandstichting was er sprake van chronische schizofrenie en deze stoornis beïnvloedde de verdachte zijn gedragskeuzen en gedragingen op dat moment. Daarom heeft de psychiater geadviseerd de brandstichting in een verminderde mate toe te rekenen. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt het recidiverisico te beperken door klinische psychiatrische behandeling van de chronische schizofrenie van de verdachte met aansluitende resocialisatie naar beschermd wonen in en vanuit een Forensisch Psychiatrische Afdeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, onder toezicht van de reclassering.
Gezien het hoge recidiverisico, met name de voorgeschiedenis van de verdachte van eerdere brandstichting, kan worden overwogen langdurig toezicht mogelijk te maken door oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, aldus de psychiater. De verdachte heeft instemmend gereageerd op de conclusies en het advies van de psychiater.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de psychiater deugdelijk is gemotiveerd en dat de overwegingen in dit rapport de conclusies kunnen dragen. De rechtbank neemt die conclusies dan ook over en zal het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 november 2025. De reclassering ziet delictgerelateerde en risicoverhogende factoren op vrijwel alle leefgebieden en schat het risico op recidive als hoog in. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de gedragsdeskundige van het NIFP betreffende klinische psychiatrische behandeling met aansluitende resocialisatie naar beschermd wonen in en vanuit een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Hierbij kan oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel worden overwogen. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij reclassering (na afspraak), opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Ook adviseert de reclassering dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. Als de geadviseerde voorwaarden worden overgenomen, adviseert de reclassering dat zij opdracht krijgt om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden. Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering verder een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf.
De rechtbank neemt de conclusies van de reclassering over en maakt deze tot de hare.
Straf en maatregel
De rechtbank merkt op dat gezien de ernst van de feiten in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn. Echter gelet op het voorgaande en met het oog op wat door de officier van justitie en de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer duurt dan tot het moment waarop er niet langer een wachtlijst is voor de opname van de verdachte in een zorginstelling, te weten eind februari 2026. De rechtbank is van oordeel dat, zoals de verdachte ook zelf erkent, het van belang is dat de verdachte op dat moment doorstroomt naar een zorginstelling, zodat zijn chronische schizofrenie kan worden behandeld en dat de maatschappij hier ook meer bij gebaat is.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarbij houdt de rechtbank zoals gezegd rekening met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte wordt toegerekend.
Al het voorgaande afwegende, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Daarvan zullen 10 maanden voorwaardelijk worden opgelegd met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Aan deze voorwaardelijke straf wordt een proeftijd verbonden voor de duur van drie jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Gelet op het rapport van de psychiater, het reclasseringsadvies en het daarin tot uitdrukking gebrachte hoge risico op recidive, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De rechtbank legt op een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank heeft daarbij gelet op het feit dat de verdachte in het verleden eerder brand heeft gesticht, hij het plan voor de brandstichting van 29 juni 2025 al een paar dagen eerder had opgevat en – na kennelijk beraad – dit plan daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Daarnaast slaat de rechtbank acht op het gevaarzettende karakter van brandstichting, zowel voor goederen als personen, in combinatie met het feit dat het recidiverisico door de psychiater en de reclassering als hoog worden ingeschat.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Stichting Hof Wonen heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 60.807,94, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, maar zonder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering toewijzen, omdat deze voldoende is onderbouwd en niet is betwist door of namens de verdachte. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat Stichting Hof Wonen een professionele partij is die in staat moet worden geacht de vordering zelf te incasseren.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 38z, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
10 (TIEN) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag (2594 AH) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de eerste twaalf maanden van de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
- zich – tijdens de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt –
laat behandelen door Parnassia of door de reclassering te bepalen soortgelijke zorgverlener. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg. De kortdurende klinische opname duurt zeven weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
- gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en het
(dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid Sr – uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
legt aan de verdachte op de
maatregeltot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Stichting Hof Wonen toe tot een bedrag van € 60.807,94 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan Stichting Hof Wonen;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
deelt de verdachte mee dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan aantekenen tegen dit vonnis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2025.
Bijlage I
Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 december 2025, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 29 juni 2025 mijn eigen woning in de brand heb gestoken. Ik heb die dingen in brand gestoken om te vragen voor hulp. Ik wilde de buren niet pijn doen. Ik heb met een aansteker de deken aangestoken. Ik heb zo’n spijt. Ik deed het in de kleine kamer, niet in de woonkamer.

2. Het proces-verbaal forensisch brandonderzoek woning ( [adres] te Den Haag), opgemaakt op 1 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 9-11 van het aanvullend proces-verbaal met het nummer PL1500-2025216268, van de politie eenheid Den Haag):

Op maandag 30 juni 2025 om 10:30 uur kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] , [postcode] 's-Gravenhage.
Door ons, verbalisanten, werd het volgende gezien en bevonden. In het portiek van de eerste etage was roetaanslag zichtbaar op het plafond en de wanden. In de gang was op de wanden en het plafond roetaanslag zichtbaar. Verder was aan het plafond zichtbaar dat de bedrading van de verlichting en de rookmelder door hitte was aangetast en omlaag hing.
In alle ruimtes van de woning was roetaanslag zichtbaar. In de kastenkamer, recht tegenover de toegangsdeur van de woning, was de meeste roetaanslag zichtbaar. In deze kamer was zware brandschade zichtbaar. Aan de linkerzijde van die kamer, direct achter de tussendeur, was een vaste houten opbergkast. De voorzijde van de houten kastdeur was nagenoeg volledig doorgebrand.
Zichtbaar was dat de inbranding vanaf de buitenzijde was. Aan de binnenzijde van die kast was de brandschade beperkt gebleven. Op de vloer direct voor deze kast werden de verbrande resten van textiel, mogelijk beddengoed, aangetroffen. Verder lagen daar onder het textiel de verbrande resten van een glazen tafeltje. Het glas was verbrijzeld in kleine stukjes. Verder lagen daar ook ronde metalen poten van dat tafeltje. Aan de poten werden op meerdere plaatsen soortgelijke glasresten aangetroffen. Rechts van de bergkast stond twee houten lades op de vloer. Deze waren vanuit de brandhaard aangestraald door hitte.
Met de PID meter werd in de brandresten een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van vluchtige ontbrandbare stoffen. Er werd geen aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van dergelijke middelen. De verbrande resten werden verwijderd. Op de houten plint aan de voorzijde van de kast was een lage inbranding zichtbaar. Op de kast en de muren daar direct naast, werd een V-vormig brandpatroon aangetroffen. Deze plaats werd als brandhaard aangemerkt. Op het plafond boven de kast was zware brandschade zichtbaar. In de rest van die kastenkamer was, gezien vanaf die houten kast, de brandschade minder. In de andere kamers werd geen brandhaard aangetroffen. In of nabij de brandhaard werd geen technische voorziening aangetroffen. Een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand kon hierdoor worden uitgesloten. Deze brand was ontstaan door het bijbrengen of achterlaten van vuur aan het textiel beddengoed wat op het glazen tafeltje had gelegen die voor de houten kast had gestaan. In het trappenhuis en de bovengelegen portieken met woningen was ook roetaanslag zichtbaar.
Reconstruerend onderzoek en conclusie.
Het meest aannemelijke scenario voor het ontstaan van deze brand is het opzettelijk bijbrengen van open vuur aan het textiel beddengoed dat op het glazen tafeltje had gelegen. Dit tafeltje had tegen de houten kastdeur van de bergkast gestaan. Deze houten kast was vervolgens in brand geraakt. Hierdoor was vuur, rook en roet ontstaan. De rook en de roetafzetting had zich door de rest van de woning verplaatst. Hier was sprake van brandstichting zoals beschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht.
Gevaarzetting.
Bij deze brand was gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te
duchten. Indien de brand niet tijdig was opgemerkt en geblust kan niet worden uitgesloten dat de brand en rookverspreiding door het hele woongebouw was gegaan. In dit gebouw waren meerdere woningen. In die woningen waren ten tijde van de brand personen aanwezig.