ECLI:NL:RBDHA:2025:23960

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.14468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009ECLI:EU:C:2013:862
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende onderbouwing doel en omstandigheden verblijf

Eiseres, een Ghanees staatsburger, heeft een visum kort verblijf aangevraagd om haar familievriend te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft onderbouwd. In bezwaar is dit besluit gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt dat eiseres en de referent niet geslaagd zijn in het aannemelijk maken van hun vriendschapsrelatie, waardoor het doel van het bezoek onvoldoende is vastgesteld. De overgelegde WhatsAppberichten tonen slechts beperkt contact in 2024 en ontbreken verdere bewijsstukken die een langdurige relatie aantonen. Het betoog dat geen langdurige vriendschap vereist is, wordt verworpen.

Daarnaast is geoordeeld dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Het bezwaar kon kennelijk ongegrond worden verklaard en er was geen aanleiding om eiseres te horen, ook niet gezien de mogelijkheid om in bezwaar stukken aan te leveren. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14468

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, N. Dogan als tolk (Engels), en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1982. Zij heeft een visum kort verblijf aangevraagd om haar familievriend, [naam] (referent), te bezoeken.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. [1] In bezwaar heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd, omdat eiseres zowel bij de aanvraag als in bezwaar geen stukken heeft overgelegd die haar relatie met referent aantonen. Uit de WhatsAppberichten die eiseres heeft overgelegd blijkt niet dat eiseres en referent regelmatig of veelvuldig contact hebben en blijkt ook niet dat zij voor februari 2024 contact hadden.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel voldoende heeft onderbouwd. Verweerder mag in dat kader niet als eis stellen dat er sprake moet zijn van een langdurige en duurzame vriendschap tussen eiseres en referent. Zij hebben hun vriendschapsrelatie voldoende onderbouwd met WhatsAppberichten en hun verklaringen. Ook heeft verweerder de op hem rustende hoorplicht geschonden. Nu verweerder in eerste instantie aan eiseres tegenwierp dat niet zeker is dat zij binnen de gestelde termijn Nederland zou verlaten, maar dit in het bestreden besluit heeft laten vallen, kan namelijk geen sprake zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
5. In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. [2] De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag mocht afwijzen omdat eiseres en referent het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf onvoldoende hebben aangetoond. Eiseres en referent zijn er namelijk niet in geslaagd hun gestelde vriendschapsrelatie aannemelijk te maken. Daardoor is ook het doel van het bezoek, namelijk een bezoek aan een familievriend, onvoldoende vast komen te staan. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake hoeft te zijn van een tegenstrijdigheid omdat eiseres referent in eerste instantie aanduidde als oom, volgt de rechtbank verweerder wel in zijn betoog dat, nu eiseres en referent zelf hebben gesteld dat zij elkaar al ruim tien jaar kennen als familievrienden, het aan hen was om dit te onderbouwen. Verweerder mocht verwachten dat eiseres en referent daartoe stukken konden overleggen waaruit blijkt dat zij elkaar al lange tijd kennen. De WhatsAppberichten zijn hiertoe niet voldoende. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat uit deze berichten alleen blijkt dat zij in de periode van februari tot december 2024 (beperkt) contact hadden. Het betoog van eiseres dat verweerder niet meer stukken mocht verwachten ter onderbouwing van de gestelde band omdat het niet gaat om een hechte vriendschap, slaagt niet. Ook van een meer oppervlakkige band als familievrienden mag namelijk worden verwacht dat deze met meer stukken dan recente WhatsAppberichten kan worden onderbouwd. Ter zitting heeft verweerder als voorbeelden foto’s, verklaringen of verder teruggaande berichten genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen reden gebleken dat eiseres en referent geen dergelijke stukken zouden kunnen overleggen. Daar komt bij dat referent ter zitting heeft verklaard dat hij samen met eiseres door Europa had willen gaan reizen voor de duur van 6 weken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook dat niet aannemelijk hoefde te vinden, gelet op het feit dat er geen sprake is van een hechte vriendschap en eiseres dan voor 6 weken haar gezin en werk in Ghana zou moeten achterlaten.
De hoorplicht
6. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiseres niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiser, mocht verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen van eiseres. Dat eiseres geen gemachtigde had in de bezwaarfase maakt dit niet anders. In bezwaar heeft verweerder eiseres nog in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen en heeft hierin benoemd welke stukken nog ontbraken. Dat eiseres vervolgens enkel de WhatsAppberichten en identiteitsbewijzen heeft overgelegd, had voor verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zijn om eiseres te horen. Dat verweerder één van de twee weigeringsgronden uit het primaire besluit in het bestreden besluit niet meer heeft genoemd, doet hier niet aan af. De weigeringsgronden zijn immers ieder op zichzelf voldoende om tot een afwijzing van de aanvraag te komen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 32, eerste lid, onder a en ii, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.