ECLI:NL:RBDHA:2025:23969

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.41860
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvraag op basis van de Dublinverordening met betrekking tot afhankelijkheid van ouders

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, wordt het beroep van een Afghaanse eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 28 augustus 2025 afgewezen, omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft op 12 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft.

De eiser betoogde dat de minister geen rekening had gehouden met de medische klachten van zijn vader en zijn eigen medische problematiek. Hij voerde aan dat hij altijd met zijn ouders had samengewoond en dat zij samen waren gevlucht. De rechtbank oordeelt echter dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de enige is die zorg kan verlenen aan zijn vader. De rechtbank verwijst naar de Dublinverordening, die bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat verzoekers bij hun familieleden kunnen verblijven als zij afhankelijk zijn van elkaars hulp. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft gesteld dat er geen sprake is van afhankelijkheid zoals bedoeld in de Dublinverordening.

De rechtbank wijst erop dat de eiser niet heeft aangetoond dat er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid zou opleveren. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de eiser kan worden overgedragen aan Duitsland zonder recht op proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41860

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Afghaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit3. De EU [1] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [2] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland op
4 juli 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 8 juli 2025 aanvaard.
Beroepsgronden
4. Eiser betoogt dat de minister geen rekening heeft gehouden met de medische klachten van zijn vader en ook niet met eisers eigen medische problematiek. Met betrekking tot de afhankelijkheid van zijn ouders voert eiser aan dat hij altijd heeft samengewoond met zijn ouders en dat zij ook samen zijn gevlucht. Als gevolg van het optreden van de reisagent zijn eiser en zijn ouders tijdelijk van elkaar gescheiden geweest. Ook betoogt eiser dat de minister te eenvoudig verwijst naar de aanwezigheid van zijn in Nederland woonachtige zus. Niet valt in te zien dat in het kader van de afhankelijkheid naar haar wordt gewezen.
Artikel 16 en 17 van de Dublinverordening
5. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening zorgen de lidstaten er in beginsel voor dat verzoekers bij hun ouder, kind, broer of zus kunnen verblijven of worden verenigd als zij afhankelijk zijn van elkaars hulp. De afhankelijkheid moet zijn gebaseerd op een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd. De voorwaarde is verder dat het betreffende familielid wettig verblijft in één van de lidstaten. Ook moeten er al in het land van herkomst familiebanden hebben bestaan en moet het familielid of de verzoeker in staat zijn voor de afhankelijke persoon te zorgen. Ten slotte moeten de betrokkenen schriftelijke hebben verklaard dat zij dit wensen.
5.1.
Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kan de minister de asielaanvraag ook onverplicht inhoudelijk in behandeling nemen. Hiervan wordt in ieder geval gebruik gemaakt als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De toepassing van artikel 16 en 17 van de Dublinverordening is door de minister nader uitgewerkt in paragraaf C2/5 van de Vc. [4]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van afhankelijkheid, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit de door eiser overgelegde medische stukken blijkt niet dat alleen hij zorg kan verlenen aan zijn vader. Dat eiser zijn vader regelmatig begeleidt tijdens medische afspraken is onvoldoende om afhankelijkheid als bedoeld in deze bepaling aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde medische stukken volgt dat ook de zus van eiser haar vader ondersteuning biedt. Daarnaast heeft de minister kunnen betrekken dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij jaren van zijn ouders gescheiden is geweest. De minister heeft daarom mogen overwegen dat de ouders van eiser (met name zijn vader) het in die periode ook zonder eisers zorg hebben moeten stellen. De enkele stelling van eiser op de zitting dat hij niet heeft verklaard jaren van zijn ouders te zijn gescheiden en dat hij en zijn ouders slechts twee weken van elkaar gescheiden zijn geweest, maakt dat oordeel niet anders.
5.3.
Voor zover eiser stelt dat sprake is van afhankelijkheid, omdat hij zijn ouders dagelijks ondersteunt wegens de prostaatproblemen van zijn vader en de medische klachten van zijn moeder, oordeelt de rechtbank dat deze specifieke klachten van vader eerst op de zitting zijn aangevoerd en niet zijn onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de gestelde medische klachten van moeder.
5.4.
Hoewel het voorstelbaar is dat de familieleden zich om elkaar bekommeren, is er in eisers zaak geen reden om te oordelen dat de minister verplicht is om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen op grond van artikel 16 van de Dublinverordening. Eisers grond slaagt daarom niet.
5.5.
Ten aanzien van eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Dat eiser en zijn ouders graag bij elkaar willen blijven in Nederland is begrijpelijk, maar levert op zichzelf geen bijzondere, individuele omstandigheid op, op grond waarvan de minister had moeten aannemen dat overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De minister heeft op goede gronden overwogen dat de Dublinverordening erop is gericht om familie- en gezinsleden zoveel mogelijk bij elkaar te houden, maar niet bedoeld is als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Verder heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat eventuele medische zorg voor zijn gestelde klachten in Duitsland niet aanwezig is. Het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser mag daarom worden overgedragen aan Duitsland en krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europese Unie.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.