ECLI:NL:RBDHA:2025:23972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.47816
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Oeigoer tegen niet-ontvankelijkverklaring door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Oeigoer met de Chinese nationaliteit, tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser had op 3 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd op 24 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat Turkije als veilig derde land werd aangemerkt. De rechtbank heeft de zaak op 18 november 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder en een tolk. Eiser betoogde dat hij in Turkije het risico loopt om uitgezet te worden naar China, en dat Turkije niet als veilig kan worden beschouwd voor hem. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had aangetoond dat Turkije voor eiser als veilig kon worden aangemerkt. De rechtbank concludeerde dat verweerder de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk had verklaard en dat het beroep ongegrond was. Eiser kreeg geen vergoeding van zijn proceskosten en de uitspraak werd openbaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47816

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 3 maart 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 september 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Ozman als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Chinese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij behoort tot de Oeigoerse bevolkingsgroep en daarom gevaar loopt in China.
2.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat Turkije voor hem aangemerkt kan worden als veilig derde land. Verweerder wijst erop dat eiser van maart 2015 tot maart 2025 rechtmatig in Turkije heeft verbleven en daar heeft gewerkt. Eiser zou volgens verweerder ook nu nog veilig terug kunnen keren naar Turkije. Verweerder heeft daarom de asielmotieven van eiser niet inhoudelijk beoordeeld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat Turkije voor hem niet geldt als veilig derde land. Eiser loopt namelijk in Turkije het risico om uitgezet te worden naar China. Zo blijkt uit landeninformatie [2] dat Turkije niet consistent verblijfsvergunningen biedt aan Oeigoeren en dat Turkije een uitleveringsverdrag heeft getekend met China. Daarnaast heeft eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, geen zodanige band met Turkije dat het van hem redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij erheen gaat. Eiser werd namelijk in Turkije door de Chinese overheid gedwongen andere Oeigoeren te bespioneren. Ook is niet aannemelijk dat eiser zal worden toegelaten tot Turkije, nu zijn paspoort binnenkort verloopt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zal worden behandeld. Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit alleen tegenwerpen als die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. [3] Bovendien kan verweerder alleen tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land.
Is Turkije veilig voor eiser?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder Turkije voor eiser als veilig mocht aanmerken. Uit hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over Turkije en de situatie van Oeigoeren kan namelijk niet worden afgeleid dat hij in Turkije niet zal worden behandeld overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn besluitvorming, onder verwijzing naar de landeninformatie van Turkije, voldoende gemotiveerd dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Het non-refoulementbeginsel is door de Turkse autoriteiten ten aanzien van eiser in de periode dat hij in Turkije woonde gerespecteerd en eiser heeft met de overgelegde informatie niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders voor hem zal zijn. Uit de verklaringen van eiser blijkt ook niet dat er sprake is van een vergrote dreiging tot uitzetting sinds het ondertekenen van het uitleveringsverdrag met China door Turkije. Verweerder mocht er in dit kader op wijzen dat Turkije het verdrag, dat uit 2017 komt, niet heeft geratificeerd, dat er geen indicaties zijn gebleken dat dit binnenkort zal gebeuren, en dat niet is gebleken dat er sinds de ondertekening van het verdrag Oeigoeren direct of indirect naar China zijn uitgezet. [4] Hoewel eiser erop wijst dat in de afgelopen jaren in Turkije wel incidenten zijn geweest met Oeigoeren, acht de rechtbank dit op dit moment onvoldoende om de algemene situatie als onveilig te beoordelen, gelet ook op het aantal personen waarop die incidenten zagen in verhouding tot het grote aantal Oeigoeren dat in Turkije verblijft. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij in het verleden is benaderd door Chinese agenten, blijkt uit de stukken dat eiser sinds 2019 niet meer benaderd is en dat hij niet op een andere manier last heeft ondervonden vanuit de Chinese overheid. Ook heeft eiser in zijn verklaringen ter zitting geen andere concrete ontwikkeling naar voren gebracht die aanleiding heeft gevormd om Turkije juist nu te verlaten. Eiser heeft namelijk juist gewezen op de geopolitieke toenadering tussen China en Turkije, maar verklaard dat er in de afgelopen jaren niet iets is veranderd in zijn situatie. De rechtbank ziet daarom ook hierin geen aanleiding voor het oordeel dat Turkije niet veilig is voor eiser.
Heeft eiser een band met Turkije?
7. Verweerder kan tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, indien deze vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor hem redelijk is om daar naartoe te gaan. Dat betekent dat verweerder bij het beoordelen van die band een redelijkheidstoets moet verrichten, waarbij zij alle relevante individuele omstandigheden van de vreemdeling meeweegt. Verder volgt uit Informatiebericht 2021/8 (hierna: IB 2021/8) dat de IND bij de beoordeling of sprake is van een band alle relevante feiten en omstandigheden betrekt, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. Ook staat in IB 2021/8 dat doorgaans sprake zal zijn van een band met het derde land als een vreemdeling voor een langere periode eerder in dat land heeft verbleven. Dit zal in het algemeen tenminste een halfjaar zijn geweest, waarbij tevens de omstandigheden waaronder een vreemdeling in het derde land heeft verbleven moeten worden meegewogen.
7.1.
Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank concluderen dat eiser een zodanige band heeft met Turkije dat het voor hem redelijk is om daar naartoe te gaan. Vast staat dat eiser tussen maart 2016 en maart 2025 rechtmatig in Turkije heeft verbleven en daar heeft gewerkt. Eiser heeft daar steeds op hetzelfde adres gewoond en spreekt Turks. Er is ook niet gebleken van omstandigheden rondom eisers verblijf in Turkije die maken die maken dat niet gezegd kan worden dat eiser een band heeft met dat land. Eiser heeft in dit kader alleen naar voren gebracht dat hij in Turkije werd benaderd door de Chinese overheid om andere Oeigoeren te bespioneren. Uit de verklaringen van eiser op de zitting volgt niet dat dergelijke benaderingen langdurig hebben plaatsgevonden of dat hij alleen al vanwege de benaderingen uit Turkije wilde vertrekken. Dat eiser benaderd werd door de Chinese autoriteiten, doet dus niet af aan zijn band met Turkije.
Is aannemelijk dat eiser toegang heeft tot Turkije?
8. Verweerder heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser toegang heeft tot Turkije. Verweerder heeft in zijn besluitvorming aan de hand van informatie uit algemene bronnen en op basis van de verklaringen van eiser, redenen aangedragen waarom toegang tot Turkije voor eiseres in beginsel mogelijk moet zijn. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat eiser een Turkse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft en een paspoort dat geldig is tot februari 2026. Hoewel eiser op dit moment geen werk heeft in Turkije, is niet gebleken dat zijn verblijfsvergunning hem daarom geen toegang meer geeft of dat hij niet opnieuw werk kan vinden. Ook met zijn stelling dat hij geen toegang meer kan krijgen tot Turkije omdat zijn paspoort geen zes maanden meer geldig is, heeft eiser niet ontkracht dat hij toegang heeft tot Turkije. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk niet dat dit een vereiste is voor een toelating tot Turkije, vooral gelet op het feit dat eiser al een verblijfsvergunning heeft verkregen in Turkije.
Het terugkeerbesluit
9. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit gericht op Turkije opgelegd. Er volgt hieruit geen schending van het non-refoulementbeginsel.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw 2000).
2.Eiser verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht over China van 2022, het Algemeen Ambtsbericht over Turkije van 2025, het rapport “We know you better than you know yourself”, China’s transnational repression of the Uyghur diaspora” van de Universiteit van Sheffield van 13 april 2023 en het rapport “The Uyghur issue in Turkey-China relations” van de Heinricht Böll Stiftung van 5 april 2024.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122.
4.Zie pagina 99 van het Algemeen Ambtsbericht over Turkije van februari 2025.