ECLI:NL:RBDHA:2025:24007

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.59472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Oezbeekse vreemdeling, werd op 2 december 2025 geconfronteerd met een maatregel van bewaring wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Hij betwistte de zware gronden die aan deze maatregel ten grondslag lagen, waaronder het niet op de hoogte zijn van een terugkeerbesluit en het vermeende onterecht opleggen van een zware maatregel in plaats van een lichter middel zoals een meldplicht.

De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit van 7 oktober 2025 op het juiste adres was verzonden en dat eiser hiervan op de hoogte had moeten zijn. Het was aan eiser om wijzigingen in zijn post- of verblijfadres door te geven. De rechtbank vond de zware gronden feitelijk juist en voldoende om de maatregel van bewaring te dragen.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend was, mede gelet op het risico op onttrekking en het feit dat eiser eerder de gelegenheid had gekregen om zijn vertrek zelfstandig te regelen. De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59472

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1989 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij zich niet bewust heeft onttrokken aan het toezicht. Het besluit van 7 oktober 2025 waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ is afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd, is hem niet bekend, zodat hij niet op de hoogte was van zijn verplichting om terug te keren naar Oezbekistan.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zware gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder het besluit van 7 oktober 2025 naar het adres heeft opgestuurd dat eiser bij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning als postadres heeft opgegeven. Het voorgaande besluit is dan ook op juiste wijze kenbaar heeft gemaakt, zodat eiser hiervan op de hoogte hoorde te zijn. Het is verder aan eiser om eventuele wijzigingen ten aanzien van zijn post-/verblijfadres aan verweerder door te geven. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
5. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser heeft geen strafblad en wil graag in de gelegenheid worden gesteld om zijn vertrek in vrijheid zelfstandig te regelen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende gronden aanwezig zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is eiser eerder in de gelegenheid gesteld om zijn vertrek te organiseren binnen vier weken. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Ambtshalve toets
7. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.