ECLI:NL:RBDHA:2025:24008

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/4956
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak over proceskostenvergoeding na intrekking van beroep wegens overlijden van eiseres

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke kwestie tussen de erfgenaam van een overleden eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De erfgenaam had beroep ingesteld tegen een besluit van het college, waarin verschillende woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 waren toegekend. De eiseres was het niet eens met de omvang van deze aanpassingen. Tijdens de procedure overleed de eiseres, wat leidde tot een tussenuitspraak van de rechtbank op 3 september 2025, waarin werd geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het college werd opgedragen om binnen twee weken te reageren op de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. Na het overlijden van de eiseres trok de erfgenaam het beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelde vast dat het college zich niet verzette tegen de vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond verklaard en het college veroordeeld tot betaling van € 1.814,- aan de verzoekster, evenals de vergoeding van het griffierecht van € 51,-. De uitspraak werd openbaar gedaan en een afschrift werd verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4956

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

de erfgenaam van [erflaatster], gewoond hebbende te Den Haag, verzoekster
(gemachtigde: mr. Ö. Şahin),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: R.K. Singh).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 23 april 2024 heeft het college verschillende woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 toegekend. [erflaatster] heeft hiertegen beroep ingesteld omdat zij het niet eens met de omvang van de toegekende woningaanpassingen. Bij tussenuitspraak van 3 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel en het college opgedragen om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.
1.1.
Bij brief van 4 september 2025 heeft het college de rechtbank meegedeeld dat [erflaatster] op [datum] 2025 is overleden waardoor de noodzaak tot herstel is komen te vervallen.
1.2.
De erfgenaam van [erflaatster] heeft vervolgens het beroep op 9 oktober 2025 ingetrokken met daarbij het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten.
1.3.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft bij brief van 14 oktober 2025 meegedeeld een proceskostenveroordeling niet onredelijk te vinden.
1.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat het college zich niet verzet tegen vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk gegrond.
3. De rechtbank veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Deze proceshandelingen leveren twee punten op met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 1.814,- bedragen.
4. De rechtbank ziet ook aanleiding het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan verzoekster;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 51,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.