In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke kwestie tussen de erfgenaam van een overleden eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De erfgenaam had beroep ingesteld tegen een besluit van het college, waarin verschillende woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 waren toegekend. De eiseres was het niet eens met de omvang van deze aanpassingen. Tijdens de procedure overleed de eiseres, wat leidde tot een tussenuitspraak van de rechtbank op 3 september 2025, waarin werd geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het college werd opgedragen om binnen twee weken te reageren op de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. Na het overlijden van de eiseres trok de erfgenaam het beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelde vast dat het college zich niet verzette tegen de vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond verklaard en het college veroordeeld tot betaling van € 1.814,- aan de verzoekster, evenals de vergoeding van het griffierecht van € 51,-. De uitspraak werd openbaar gedaan en een afschrift werd verzonden aan de betrokken partijen.