ECLI:NL:RBDHA:2025:24040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/09/694503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij stiefvader tot meerderjarigheid

De gecertificeerde instelling verzocht de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij diens stiefvader te verlenen voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, is in juni 2025 naar het buitenland vertrokken en heeft geen contact meer met instanties, waardoor er geen gezaghebbende ouder in Nederland aanwezig is.

De minderjarige verblijft al enige maanden bij de stiefvader en staat op diens adres ingeschreven. De kinderrechter achtte het noodzakelijk om de machtiging te verlenen om het verblijf bij de stiefvader te formaliseren, mede omdat de minderjarige bijna achttien wordt en het in zijn belang is dat hij kan blijven waar hij wil.

De zitting vond plaats met gesloten deuren; de moeder en stiefvader waren niet aanwezig, maar correct opgeroepen. De kinderrechter verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, waardoor deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De machtiging geldt van 4 december 2025 tot 8 maart 2026.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing bij stiefvader verleend tot meerderjarigheid, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694503 / JE RK 25-1925
Datum uitspraak: 4 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in onbekende woon- of verblijfplaats.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader], hier na te noemen: de stiefvader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
1.3.
De moeder en de stiefvader (als informant) zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de stiefvader wel juist zijn opgeroepen. De stiefvader heeft zich op 27 november 2025 telefonisch afgemeld voor de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] de gelegenheid gegeven zijn mening te geven in een kindgesprek. [de minderjarige] heeft zich op 26 november 2025 per mail afgemeld voor het kindgesprek.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft de stiefvader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot [geboortedatum] 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefvader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. [de minderjarige] verblijft op dit moment bij de stiefvader. De gecertificeerde instelling heeft geen zicht op de veiligheid van de situatie bij de stiefvader maar de moeder is in juni 2025 vertrokken naar het buitenland. Zij heeft op dit moment geen contact meer met de betrokken instanties. De stiefvader en [de minderjarige] geven aan dat zij geen contactgegevens hebben van de moeder. Sindsdien is er geen gezaghebbende ouder van [de minderjarige] in Nederland aanwezig. Er ontbreekt daarmee op dit moment een wettelijk vertegenwoordiger die beslissingen kan nemen over het welzijn en de veiligheid van [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling ziet echter dat dingen wel geregeld worden voor [de minderjarige] en verwacht dat dit tot de achttiende verjaardag van [de minderjarige] geen problemen zal opleveren. De machtiging tot uit huis plaatsing is nodig, omdat [de minderjarige] onder toezicht is gesteld en niet bij de gezaghebbende ouder woont.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
4.2.
[de minderjarige] verblijft al een aantal maanden bij de stiefvader en staat op het adres van de stiefvader ingeschreven. Nu er nog een ondertoezichtstelling loopt, is de machtiging uithuisplaatsing nodig om het verblijf van [de minderjarige] bij de stiefvader te formaliseren. [de minderjarige] wordt bijna achttien en het is in zijn belang dat hij kan blijven waar hij wil blijven. De kinderrechter zal daarom de machtiging uithuisplaatsen bij de stiefvader verlenen.
4.3.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefvader met ingang van 4 december 2025 tot 8 maart 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 door mr. S. van der Harg, kinderrechter, in aanwezigheid van F.A.M. Wever als griffier, en op schrift gesteld op 10 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.