ECLI:NL:RBDHA:2025:24040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/09/694503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige, geboren in 2008, verblijft momenteel bij zijn stiefvader, terwijl de moeder sinds juni 2025 naar het buitenland is vertrokken en geen contact meer heeft met de betrokken instanties. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig is die beslissingen kan nemen over het welzijn van de minderjarige. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de minderjarige onder toezicht is gesteld en niet bij de gezaghebbende ouder woont. Tijdens de zitting op 4 december 2025, waar de moeder en stiefvader niet aanwezig waren, heeft de kinderrechter de noodzaak van de machtiging bevestigd. De kinderrechter oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die bijna achttien jaar oud is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend met ingang van 4 december 2025 tot 8 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694503 / JE RK 25-1925
Datum uitspraak: 4 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in onbekende woon- of verblijfplaats.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader], hier na te noemen: de stiefvader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
1.3.
De moeder en de stiefvader (als informant) zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de stiefvader wel juist zijn opgeroepen. De stiefvader heeft zich op 27 november 2025 telefonisch afgemeld voor de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] de gelegenheid gegeven zijn mening te geven in een kindgesprek. [de minderjarige] heeft zich op 26 november 2025 per mail afgemeld voor het kindgesprek.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft de stiefvader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot [geboortedatum] 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefvader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. [de minderjarige] verblijft op dit moment bij de stiefvader. De gecertificeerde instelling heeft geen zicht op de veiligheid van de situatie bij de stiefvader maar de moeder is in juni 2025 vertrokken naar het buitenland. Zij heeft op dit moment geen contact meer met de betrokken instanties. De stiefvader en [de minderjarige] geven aan dat zij geen contactgegevens hebben van de moeder. Sindsdien is er geen gezaghebbende ouder van [de minderjarige] in Nederland aanwezig. Er ontbreekt daarmee op dit moment een wettelijk vertegenwoordiger die beslissingen kan nemen over het welzijn en de veiligheid van [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling ziet echter dat dingen wel geregeld worden voor [de minderjarige] en verwacht dat dit tot de achttiende verjaardag van [de minderjarige] geen problemen zal opleveren. De machtiging tot uit huis plaatsing is nodig, omdat [de minderjarige] onder toezicht is gesteld en niet bij de gezaghebbende ouder woont.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
4.2.
[de minderjarige] verblijft al een aantal maanden bij de stiefvader en staat op het adres van de stiefvader ingeschreven. Nu er nog een ondertoezichtstelling loopt, is de machtiging uithuisplaatsing nodig om het verblijf van [de minderjarige] bij de stiefvader te formaliseren. [de minderjarige] wordt bijna achttien en het is in zijn belang dat hij kan blijven waar hij wil blijven. De kinderrechter zal daarom de machtiging uithuisplaatsen bij de stiefvader verlenen.
4.3.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefvader met ingang van 4 december 2025 tot 8 maart 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 door mr. S. van der Harg, kinderrechter, in aanwezigheid van F.A.M. Wever als griffier, en op schrift gesteld op 10 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.