De rechtbank Den Haag heeft op 4 december 2025 uitspraak gedaan over drie verzoeken tot machtiging tot uithuisplaatsing van zes minderjarige kinderen, ingediend door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden. De verzoeken betreffen verlenging van uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en een nieuwe machtiging voor [minderjarige 3], [minderjarige 4], [minderjarige 5] en [minderjarige 6].
De feiten tonen een problematische en onstabiele thuissituatie, waarbij de ouders met elkaar gehuwd zijn en samen het ouderlijk gezag dragen. Twee van de kinderen verblijven reeds in jeugdhulpaccommodaties, terwijl de overige vier thuis wonen. De ondertoezichtstelling is verlengd tot juli 2026. De gecertificeerde instelling motiveert dat de uithuisplaatsingen noodzakelijk zijn vanwege de kwetsbaarheid van de kinderen, de problematiek van de ouders en het ontbreken van een stabiele opvoedomgeving.
Tijdens de zitting zijn de kinderen gehoord en hebben de ouders hun standpunten kenbaar gemaakt. De moeder stemt in met de verlenging voor de oudste kinderen maar verzet zich tegen de uithuisplaatsing van de jongere vier kinderen, verzoekend om aanhouding in afwachting van ambulante hulp. De vader stemt deels in, met terughoudendheid over de snelheid van uitvoering.
De kinderrechter oordeelt dat de machtigingen noodzakelijk zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De verlengingen en verlening worden toegewezen met een termijn tot medio 2026, waarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De rechter benadrukt het belang van rust, structuur en het behoud van school en sociale omgeving voor de kinderen, en het bieden van ruimte aan de ouders om aan hun problematiek te werken.
Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.