In deze zaak heeft eiser, die sinds 27 maart 2003 een uitkering ontving op basis van de Participatiewet, beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Dit besluit, genomen op 10 november 2023, hield in dat eiser met ingang van 15 maart 2023 geen recht meer had op bijstandsuitkering, omdat hij volgens het college niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Eiser heeft dit besluit bestreden, maar zijn bezwaar werd op 16 november 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 28 november 2025 het beroep behandeld, waarbij de gemachtigde van het college aanwezig was.
De rechtbank heeft beoordeeld of het college voldoende gemotiveerd is ingegaan op de bezwaargronden van eiser. Eiser betwistte dat het college had aangetoond dat hij niet op het uitkeringsadres woonde en stelde dat de terugvordering van € 7.650,25 onterecht was. De rechtbank oordeelde dat het college in het bestreden besluit afdoende had gereageerd op de bezwaargronden en voldoende had gemotiveerd waarom het primaire besluit in stand kon blijven. De rechtbank concludeerde dat de feiten van na 10 november 2023 niet relevant waren voor de beoordeling van het bezwaar, aangezien deze betrekking hadden op een periode na het primaire besluit.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen recht had op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, en is openbaar uitgesproken op 17 december 2025.