ECLI:NL:RBDHA:2025:24048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
24/3786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Besluit tot intrekking van bijstandsuitkering en terugvordering van onterecht ontvangen bijstand

In deze zaak heeft eiser, die sinds 27 maart 2003 een uitkering ontving op basis van de Participatiewet, beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Dit besluit, genomen op 10 november 2023, hield in dat eiser met ingang van 15 maart 2023 geen recht meer had op bijstandsuitkering, omdat hij volgens het college niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Eiser heeft dit besluit bestreden, maar zijn bezwaar werd op 16 november 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 28 november 2025 het beroep behandeld, waarbij de gemachtigde van het college aanwezig was.

De rechtbank heeft beoordeeld of het college voldoende gemotiveerd is ingegaan op de bezwaargronden van eiser. Eiser betwistte dat het college had aangetoond dat hij niet op het uitkeringsadres woonde en stelde dat de terugvordering van € 7.650,25 onterecht was. De rechtbank oordeelde dat het college in het bestreden besluit afdoende had gereageerd op de bezwaargronden en voldoende had gemotiveerd waarom het primaire besluit in stand kon blijven. De rechtbank concludeerde dat de feiten van na 10 november 2023 niet relevant waren voor de beoordeling van het bezwaar, aangezien deze betrekking hadden op een periode na het primaire besluit.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen recht had op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, en is openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Biemond),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: J. Ameziane).

Procesverloop

1. Eiser ontving sinds 27 maart 2003 een uitkering, als laatst op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft op 10 november 2023 besloten dat eiser met ingang van 15 maart 2023 geen recht had op een bijstandsuitkering (het primaire besluit). Volgens het college had eiser sinds die laatste datum niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres aan de Erasmusweg 1431 in Den Haag. Door hiervan geen melding te maken heeft eiser volgens het college zijn inlichtingenverplichting geschonden en kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De in de tussenliggende periode aan eiser uitgekeerde bijstand werd teruggevorderd tot een bedrag van € 7.650,25.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en dit bezwaar is op
16 november 2023 ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Een door eiser verzochte voorlopige voorziening is op 29 december 2023 afgewezen door deze rechtbank.
1.2.
Eiser heeft op 29 april 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting heeft de gemachtigde van het college deelgenomen.

Toetsingskader

2. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Is het college gemotiveerd ingegaan op eisers bezwaargronden?
3. Volgens eiser is het college bij het bestreden besluit niet of onvoldoende ingegaan op zijn bezwaargronden. Het citeren van wetteksten, het verwijzen naar een rapport van onderzoek of het verwijzen naar de uitspraak waarin in deze zaak een voorlopige voorziening is afgewezen is volgens eiser geen algehele heroverweging.
3.1.
Volgens het college is bij het bestreden besluit afdoende gereageerd op eisers bezwaargronden.
3.2.
Volgens artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vindt op grondslag van een bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats. Op grond van artikel 7:12 van de Awb dient een beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het college met het bestreden besluit op grond van eisers bezwaargronden moest motiveren waarom het primaire besluit in stand kon blijven. De rechtbank bekijkt aan de hand van eisers bezwaargronden of het college daar bij het bestreden besluit voldoende op is ingegaan.
3.3.
In de kern komen eisers bezwaargronden erop neer dat hij betwist dat het college heeft aangetoond dat hij niet op het uitkeringsadres woonde en dat de terugvordering daarom onterecht is. Het college motiveert in het bestreden besluit waarop het primaire besluit is gebaseerd en verwijst daarbij naar zijn onderzoeksrapport, waarin deze stelling nader wordt onderbouwd. Volgens het college is de intrekking en terugvordering van bijstand een belastend besluit, waarbij het college moest aantonen dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Het college meent dat de onderzoeksbevindingen uit de rapportage, in samenhang bezien, tot de conclusie leiden dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Hiermee ging het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende in op de bezwaargronden van eiser die zien op zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
3.4.
Ook de bezwaargrond dat eiser alle gevraagde gegevens aan het college ter hand gesteld zou hebben is door het college behandeld bij het bestreden besluit. De rechtbank begrijpt deze bezwaargrond zo dat eiser daarmee stelt voldaan te hebben aan zijn inlichtingenplicht. In het bestreden besluit en de onderliggende rapportage wordt uitgelegd dat eiser niet heeft gemeld dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat hij zo zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Ook wordt in het rapport vermeld dat eiser weliswaar heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar niet altijd volledig is geweest. Hiermee heeft het college gemotiveerd waarom ook deze bezwaargrond niet kon leiden tot een ander besluit.
3.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hadden feiten van na 10 november 2023 betrokken moeten worden bij het bestreden besluit?
4. Volgens eiser hadden feiten van na 10 november 2023 (de datum van het primaire besluit) bij de beoordeling van het bezwaar betrokken moeten worden. De bezwaartoets is immers
ex nunc.
4.1.
Volgens het college zeggen feiten van na 10 november 2023 niets over de daaraan voorafgaande periode, waarop het bestreden besluit ziet. Volgens het college kon de toekenning van eisers huidige bijstandsuitkering niet meewegen bij het bestreden besluit.
4.2.
De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo, dat volgens eiser bij het bestreden besluit feiten hadden moeten worden betrokken op grond waarvan hij later een (nieuwe) bijstandsuitkering kreeg toegewezen op het uitkeringsadres.
4.3.
Eiser heeft tussen de ingetrokken bijstandsuitkering waar het in deze zaak om gaat en zijn meest recente, toegekende, aanvraag nog twee aanvragen gedaan. Ook op 21 november 2023 en op 15 december 2023 vroeg eiser een bijstandsuitkering aan en deze aanvragen zijn afgewezen. De aanvraag van 21 november 2023 werd afgewezen na twee pogingen tot een huisbezoek en nadat eiser niet verscheen op een gesprek over zijn woonsituatie. Ook eisers aanvraag van 15 december 2023 werd, na een huisbezoek aan het uitkeringsadres, de vaststelling dat er sprake was van een extreem laag waterverbruik en gesprekken met getuigen, afgewezen.
4.4.
De feiten waar eiser naar verwijst zien op zijn laatste bijstandsaanvraag van 24 april 2024, die op 23 mei 2024 werd toegekend. Deze feiten waren niet bij het UWV bekend toen het bestreden besluit op 18 maart 2024 werd genomen en het UWV had deze feiten dus niet kunnen betrekken bij het bestreden besluit. [1]
4.5.
De rechtbank ziet bovendien niet in waarom deze feiten - indien ze vóór het bestreden besluit bekend waren geweest bij het college - betrokken hadden moeten worden bij het bestreden besluit, waarin werd vastgesteld dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de periode van 15 maart 2023 tot 10 november 2023. Dat eiser ruim ná die laatste datum zou hebben aangetoond dat hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, zegt niets over zijn hoofdverblijf in de periode waar het bestreden besluit op ziet.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Wesselo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 december 2025.
de griffier is buiten staat te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. (…)
Participatiewet
Artikel 17
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. (…)
Artikel 54
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
(…)
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:35, r.o. 2.2.