ECLI:NL:RBDHA:2025:24129
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende motivering sociale en economische binding met Iran
Eiser, een Iraanse staatsburger, diende een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf voor een familiebezoek, welke door de minister van Buitenlandse Zaken werd afgewezen wegens twijfel aan zijn tijdige terugkeer naar Iran. De minister baseerde deze twijfel op een vermeend gebrek aan voldoende sociale en economische binding met Iran.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sociale binding van eiser met Iran onvoldoende zou zijn. De minister ging onder meer uit van een onjuiste voorstelling van zaken omtrent de verblijfstatus van de zussen van eiser in Nederland en negeerde de onderbouwde stelling dat de zwangerschap van de echtgenote van eiser de binding versterkt. Ook de financiële verantwoordelijkheid van eiser voor zijn zwangere echtgenote en aankomend kind werd niet betrokken in de beoordeling.
Ten aanzien van de economische binding stelde de minister dat de werkgeversverklaring en functieomschrijving niet overeenkwamen en dat eiser pas sinds juli 2023 werkzaam zou zijn, wat onvoldoende binding zou betekenen. De rechtbank concludeert dat deze bezwaren onterecht zijn en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met relevante omstandigheden, zoals de hoge werkloosheid in Iran en het belang van de vaste baan van eiser.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de motivering moet voldoen aan de eisen zoals in deze uitspraak uiteengezet. Het door eiser betaalde griffierecht wordt vergoed, maar proceskosten worden niet toegekend omdat eiser geen beroepsmatige rechtsbijstand ontving.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over sociale en economische binding met Iran.