ECLI:NL:RBDHA:2025:24136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
NL25.53439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 28 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring zonder concreet Dublin-aanknopingspunt

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 30 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op de veronderstelling dat de Dublinverordening van toepassing was, omdat Slowakije en Zwitserland terugkeerbesluiten aan eiser hadden uitgevaardigd.

De rechtbank stelde vast dat het enkele bestaan van terugkeerbesluiten onvoldoende is om te concluderen dat de Dublinverordening van toepassing is, omdat terugkeerbesluiten ook kunnen worden uitgevaardigd zonder dat een asielaanvraag is ingediend. Er ontbraken concrete gegevens, zoals een Eurodac-onderzoek, die het bestaan van een aanknopingspunt zouden bevestigen.

Daarmee was de maatregel van bewaring onrechtmatig vanaf het moment van opleggen. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €260,- voor twee dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €1.814,-. Het beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €260,- toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53439

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W.. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 31 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992. Eiser is ook bekend onder het alias [alias] , geboren op [datum] 1992.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing ervan, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] , en er een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft aangevoerd dat de grondslag van de maatregel onjuist is. Verweerder heeft niet aangetoond dat sprake was van een concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was.
4.1
In artikel 59a, eerste lid, van de Vw is bepaald dat verweerder vreemdelingen, op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring kan stellen met inachtneming van artikel 28 van Pro de Dublinverordening.
4.2
Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat het concrete aanknopingspunt dat de Dublinverordening van toepassing zou kunnen zijn, was gelegen in het feit dat Slowakije en Zwitserland terugkeerbesluiten aan eiser hebben uitgevaardigd. Volgens verweerders gemachtigde kan uit het opleggen van deze terugkeerbesluiten afgeleid worden dat eiser in één of beide landen een asielaanvraag heeft ingediend, waardoor de Dublinverordening op hem van toepassing kan zijn.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit en wat verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven, onvoldoende blijkt van het bestaan van een concreet aanknopingspunt. Dat twee terugkeerbesluiten zijn uitgevaardigd is daarvoor namelijk niet voldoende. Een terugkeerbesluit wordt immers niet alleen opgelegd als sprake is geweest van een asielaanvraag, maar wordt op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn [2] opgelegd op het moment dat vastgesteld wordt dat een onderdaan van een derde land illegaal in het land verblijft. Uit het enkele bestaan van twee terugkeerbesluiten heeft verweerder dus niet zonder meer kunnen afleiden dat sprake is van een concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening van toepassing is. Andere gegevens voor het aannemen van een dergelijk aanknopingspunt ontbreken in het dossier. Zo is er geen weergave van een zogenoemd Eurodac-onderzoek waaruit blijkt dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in een andere lidstaat, is geen nader onderzoek verricht naar de terugkeerbesluiten en blijkt uit de verklaringen van eiser zelf ook niet dat hij in Slowakije of Zwitserland asiel heeft aangevraagd. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat sprake was van een concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is en is daarmee de maatregel op een onjuiste grondslag gebaseerd.
De beroepsgrond slaagt.
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x €130,- (verblijf politiecel) = €260,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van €260,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
2.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.