ECLI:NL:RBDHA:2025:24141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/4712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om handhaving tegen horecagelegenheden in Den Haag met betrekking tot bestemmingsplan Binnenhof e.o.

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Eiser had verzocht om handhavend op te treden tegen twee horecagelegenheden, [bedrijf 1] V.O.F. en [bedrijf 2] Den Haag B.V., die volgens hem in strijd met het bestemmingsplan 'Binnenhof e.o.' waren gevestigd. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard, omdat er geen overtreding van het bestemmingsplan is vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het college terecht het verzoek om handhaving heeft afgewezen, aangezien de horecagelegenheden legaal zijn gevestigd en er geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Eiser had op 1 juli 2022 het verzoek om handhaving ingediend, maar de rechtbank concludeerde dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. De rechtbank heeft de argumenten van eiser, die stelde dat de 20% toegestane horeca in de categorie 'licht' ook andere categorieën moest omvatten, verworpen. De rechtbank bevestigde dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat er geen overtreding was vastgesteld. De uitspraak houdt in dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A.J. West),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen twee horecagelegenheden in Den Haag. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om handhaving. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het verzoek op juiste gronden heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat ten aanzien van de twee horecagelegenheden geen overtreding van het bestemmingsplan is komen vast te staan, zodat het college het verzoek om handhavend op te treden terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college op 1 juli 2022, voor zover hier van belang, verzocht om handhavend op te treden tegen twee horecagelegenheden, het take-away restaurant [bedrijf 1] V.O.F. ( [bedrijf 1] ) gevestigd aan de [adres 1] en [bedrijf 2] Den Haag B.V. ( [bedrijf 2] ) gevestigd aan de [adres 3] in Den Haag. Volgens eiser zijn deze horecazaken in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Binnenhof e.o.” gevestigd.
2.1.
Met het besluit van 25 augustus 2022 heeft het college het verzoek van eiser afgewezen op de grond dat er geen sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Na heroverweging in bezwaar heeft het college de afwijzing gehandhaafd in het bestreden besluit van 7 juni 2023, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Eiser heeft beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld, tegelijk met een ander beroep van eiser met zaaknummer 24/7741. In die zaak doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam] aan de zijde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
Het verzoek om handhaving is gedaan op 1 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Nagekomen stukken
4. De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek een brief van eiser met aanvullende stukken ontvangen. In artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken is bepaald dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en laat deze dan ook verder buiten beschouwing.
Heeft het college het verzoek om handhaving op juiste gronden afgewezen?
5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Binnenhof e.o.” (bestemmingsplan). [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn beide gevestigd op percelen in het bestemmingsvlak ‘Gemengd-1’. In dat bestemmingsvlak staan negen panden.
5.1.
Ingevolge artikel 5.1 – voor zover hier relevant – van de planregels zijn de voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden bestemd voor:
uitsluitend op de begane grondlaag:
(…)
c. horeca in de categorie “licht” van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 5.5;
(…)
en ter plaatse van de aanduiding:
“horeca tot en met categorie 2” is op de begane grondlaag een horeca-inrichting in de categorie “middelzwaar” van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 5.5 toegestaan;
“horeca tot en met categorie 3” is op de begane grondlaag een horeca-inrichting in de categorie “zwaar “ van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 5.5 toegestaan;
(…)
een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen.
5.2.
In artikel 5.5 van de planregels is – voor zover hier relevant – het volgende bepaald:
In maximaal 20% van het aantal panden binnen een aaneengesloten bestemmingsvlak binnen deze bestemming mag op de begane grond een horeca-inrichting in de categorie “licht” gevestigd worden;
horeca-inrichtingen in de categorie “middelzwaar” en “zwaar” aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, blijven toegestaan, waarbij de categorie-indeling van een vestiging niet verzwaard mag worden; (…).
5.3.
Ingevolge artikel 5.6 van de planregels kan het bevoegd gezag afwijken toestaan van het in lid 5.5, onder a, genoemde percentage ten behoeve van horeca-inrichtingen als bedoeld in categorie ‘licht’, mits daarmee het percentage van 20% binnen alle bestemmingsvlakken in Gemengd-1, niet wordt overschreden.
6. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Eiser voert aan dat tenminste [bedrijf 1] , maar ook [bedrijf 2] , in strijd met artikel 5.5, onder a, van de regels van het bestemmingsplan zijn gevestigd. Dit artikelonderdeel moet volgens eiser zo worden uitgelegd dat de 20% toegestane horeca in de categorie ‘licht’ moet worden bepaald aan de hand van een optelsom van alle panden binnen bestemmingsvlak ‘Gemengd-1’, in elke categorie horeca. In dit verband heeft eiser gewezen op een brief van voormalig wethouder Kool van 21 juni 2013 en het horecabeleid van Den Haag. Dat betekent volgens eiser dat ook de aanwezige horecagelegenheden in de categorie ‘middelzwaar’ en ‘zwaar’ in het bestemmingsvlak Gemengd-1 meegeteld moeten worden in de 20%. Concreet betekent dit volgens eiser dat ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘ [bedrijf 4] ’, beide gevestigd in bestemmingsvlak Gemengd-1 op de Denneweg en beide in de categorie ‘zwaar’, worden meegeteld bij het bepalen van de 20%. Daarmee wordt het percentage van 20% lichte horeca in het bestemmingsvlak overschreden, zodat er geen ruimte meer was voor vestiging van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Volgens eiser geeft het college bewust een onjuiste uitleg aan artikel 5.5, onder a, van de planregels en wordt het verkeerd toegepast. Dit geldt volgens eiser ook voor de horecazaak op de [adres 2] , waarover hij ook al enkele jaren procedures voert.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] legaal zijn gevestigd zodat er geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend opgetreden kan worden. Voor de horecazaak [bedrijf 2] heeft het college op 1 maart 2018, in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning verleend voor een horecagelegenheid in de categorie ‘middelzwaar’. Die omgevingsvergunning is in rechte onaantastbaar geworden. Ten aanzien van [bedrijf 1] is volgens het college ook geen sprake van een overtreding. [bedrijf 3] en [bedrijf 4] mogen in het bestemmingsvlak zijn gevestigd op grond van artikel 5.5, onder b, van de planregels. Op het moment van vestiging van [bedrijf 1] in 2016 was op deze locatie de op basis van artikel 5.5, onder a, toegestane 20% horeca in de categorie ‘licht’ nog niet bereikt, zodat geen sprake is van vestiging van horeca in strijd met het bestemmingsplan. De 20% geldt volgens het college alleen voor het aantal horecazaken in de categorie ‘licht’ en niet voor de categorie ‘middelzwaar’ of ‘zwaar’.
8. De rechtbank stelt voorop dat het college alleen bevoegd is om handhavend op te treden als vaststaat dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning van 1 maart 2018 die aan [bedrijf 2] horeca in de categorie ‘middelzwaar’ toestaat aan de [adres 3] , naar tussen partijen niet in geschil is, onherroepelijk is geworden. De horecagelegenheid is in afwijking van het bestemmingsplan vergund voor de categorie ‘middelzwaar’. Dat eiser het onterecht vindt dat aan [bedrijf 2] een omgevingsvergunning is verleend voor horeca in de categorie ‘middelzwaar’ omdat de aanvraag van [bedrijf 2] destijds zag op horeca in de categorie ‘licht, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit is een inhoudelijk argument tegen de omgevingsvergunning dat eiser in de procedure rondom de verlening van de omgevingsvergunning aan de orde had moeten stellen. Dat het college de omgevingsvergunning heimelijk heeft verleend waardoor eiser er niet tijdig tegen op kon komen, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, is nergens uit gebleken. Nu geen sprake was van een overtreding, was het college niet bevoegd handhavend op te treden tegen [bedrijf 2]
.
8.2.
Ook met betrekking tot [bedrijf 1] is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een overtreding. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat artikel 5.5, onder a, van de planregels zo moet worden uitgelegd dat in het percentage van 20% toegestane horeca in de categorie ‘licht’ ook de horecagelegenheden worden meegeteld uit andere categorieën. De rechtbank begrijpt artikel 5.5, onder a, van de planregels zo, dat in bestemmingsvlak ‘Gemengd-1’ in 20% van de panden horeca in de categorie ‘licht’ is toegestaan, en dat een nieuwe horecagelegenheid die in de categorie ‘licht’ wordt aangevraagd, is toegestaan als deze de 20% aan lichte horeca niet overschrijdt. De rechtbank leest daarin niet dat, zoals eiser aanvoert, om te bepalen of een nieuwe lichte horecagelegenheid is toegestaan, alle horeca – ongeacht de categorie indeling – moet worden meegeteld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat voor horecagelegenheden in de categorieën ‘middelzwaar’ en ‘zwaar’ in een specifieke bestemmingsregeling is voorzien, die verwijst naar een aanduiding op de verbeelding, dan wel is vastgelegd in de specifieke gebruiksregel van artikel 5.5, onder b.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [bedrijf 1] niet in strijd met het bestemmingsplan is gevestigd en dat [bedrijf 2] op de locatie gevestigd mag zijn op basis van een omgevingsvergunning. Daarom was er voor het college geen bevoegdheid om handhavend op te treden. Het verzoek om handhaving van eiser is terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.