ECLI:NL:RBDHA:2025:24142

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
NL24.4062
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielverzoek grootmoeder op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende belangenafweging

Eiseres, een vrouw met de Venezolaanse en Syrische nationaliteit, diende op 14 juni 2022 een asielaanvraag in nadat zij vanuit Venezuela naar Nederland was gekomen om bij haar dochter en kleinkinderen te verblijven. De minister wees de aanvraag af op grond van artikel 8 EVRM Pro, stellende dat er geen sprake was van hechte persoonlijke banden en dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitviel.

De rechtbank oordeelt dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende 1,5 jaar in Venezuela heeft samengewoond met haar kleinkinderen en voor hen heeft gezorgd, wat duidt op hechte persoonlijke banden. Tevens is vastgesteld dat er een objectieve belemmering bestaat omdat haar dochter met asielstatus niet met de kinderen naar Venezuela kan reizen.

De belangenafweging door de minister is onvoldoende omdat niet alle relevante feiten en omstandigheden, zoals de verklaringen van schoolmedewerkers en de zorgfunctie van eiseres, zijn betrokken. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuwe belangenafweging te maken binnen tien weken. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuwe belangenafweging te maken binnen tien weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4062

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en de weigering om verblijf bij haar dochter en kleinkinderen toe te staan op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank constateert dat vanwege de samenwoning met de kleinkinderen in Venezuela, haar rol als verzorgende ouder daar en in Nederland sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft bij de belangenafweging niet alle belangen goed in kaart gebracht en dient een nieuwe afweging te maken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 14 juni 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 januari 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
3.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven om eiseres, haar dochter en eventueel de kleinkinderen te horen.
3.3
Verweerder heeft eiseres op 27 januari 2025 aanvullend gehoord. Op 28 maart 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.
3.4
Eiseres heeft gereageerd op het aanvullende besluit.
3.5
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak op 18 augustus 2025 op zitting hervat. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar deze zaak over gaat
4. Eiseres is geboren op [datum] 1966 en heeft de Venezolaanse en Syrische nationaliteit. Eiseres is toen zij 29 jaar was vertrokken vanuit Syrië naar Venezuela. Op 4 juni 2022 is eiseres vanuit Venezuela samen met haar twee kleinkinderen [naam 1] en [naam 2] naar Nederland vertrokken. De dochter van eiseres, [naam 3] , is 1,5 jaar eerder naar Nederland vertrokken en heeft hier een asielstatus gekregen. Op 16 juni 2022 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend.
4.1
Aan haar asielaanvraag legt eiseres ten grondslag dat de situatie in Venezuela niet veilig is. Eiseres is driemaal beroofd op straat. Eiseres heeft ongeveer 1,5 jaar voor haar kleinkinderen gezorgd nadat haar dochter naar Nederland was vertrokken om asiel aan te vragen. Eiseres is naar Nederland gekomen om haar kleinkinderen te herenigen met haar dochter. Eiseres wil ook bij haar dochter verblijven om zorg te dragen voor haar kleinkinderen en om hulp te ontvangen van haar dochter bij de inname van medicatie.
Het bestreden besluit
5. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres wordt door verweerder geloofwaardig geacht. Verweerder stelt dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Venezuela.
5.1
Eiseres komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haar en haar kleinkinderen. Eiseres heeft een voogdijverklaring van 1 oktober 2021 in kopie overgelegd die niet kan worden onderzocht op echtheid. Verder meent verweerder dat uit de verklaringen van eiseres niet valt op te maken of zij vanaf de geboorte van de kinderen in alle behoeftes heeft voorzien. Het is niet plausibel dat eiseres de voogdij heeft gekregen omdat, zoals uit de voogdijpapieren blijkt, de ouders structureel niet in staat bleken voor de kinderen te kunnen zorgen om daarna zelf naar Nederland te reizen met het doel de kinderen aan de zorg van hun moeder toe te vertrouwen. Daarbij is van belang dat de dochter van eiseres niet lang daarvoor zelf de volledige voogdij over haar kinderen had verkregen. Verder zijn de verklaringen van eiseres over de 1,5 jaar zorg in Venezuela voor haar kleinkinderen algemeen en bevatten weinig details. Verweerder heeft ook een belangenafweging verricht die in het nadeel van eiseres uitvalt. Aan de kant van de Nederlandse staat heeft verweerder in het nadeel van eiseres betrokken dat er geen regulier beleid is voor verblijf van grootouders bij hun kleinkinderen, dat eiseres geen middelen van bestaan heeft en dat gelet op haar leeftijd en opleidingsniveau sprake zal zijn van een langdurige beroep op de openbare kas en dat sprake is van eerste toelating. Verweerder weegt in het voordeel mee dat de dochter van eiseres werkt en dat eiseres geen gevaar vormt voor de openbare orde. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiseres betrokken dat geen sprake is van een objectieve belemmering en dat ook geen sprake is van omstandigheden die het moeilijk maken om het gezins- en familieleven buiten Nederland uit te oefenen (‘certain degree of hardship’) omdat eiseres ook in Venezuela zorg kan ontvangen, dat de binding met Venezuela vanwege haar lange verblijf en het spreken van de taal sterk is. Verweerder weegt in het voordeel mee dat de binding van eiseres met Syrië gering is en dat daar een oorlog woedt en dat eiseres familieleden in Nederland heeft wonen. In de belangenafweging weegt verweerder verder in het nadeel mee dat de moeder in Nederland voor de kinderen kan zorgen. Niet is gebleken dat de moeder dat zonder eiseres niet kan doen. Volgens verweerder komt veel gewicht toe aan de omstandigheid dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden en aan het ontbreken van een objectieve belemmering.
Eiseres heeft volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen haar en haar dochter, omdat tussen beiden geen sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Dat eiseres gezondheidsklachten heeft en daarvoor medicijnen gebruikt is niet in geschil. Eiseres heeft echter niet onderbouwd dat zij onder specialistische behandeling staat. Eiseres is niet (exclusief) afhankelijk van de zorg van haar dochter, omdat eiseres ook haar buurvrouw of haar zoon in Venezuela om hulp kan vragen.
5.2
Verweerder wijst de asielaanvraag af als ongegrond en legt eiseres een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van 4 weken.
De omvang van het geding
6. De rechtbank constateert dat eiseres niet opkomt tegen de beoordeling van verweerder dat in haar geval geen vrees bestaat voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Daarom beperkt het geschil zich tot de vraag of eiseres bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM en of verweerder op goede gronden heeft besloten eiseres geen verblijf te gunnen bij haar dochter en kleinkinderen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
Loopt eiseres bij terugkeer een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM?
7. Eiseres voert aan dat zij een kwetsbare alleenstaande vrouw is met medische problemen en dat zij al drie maal is beroofd in Venezuela. Ook is Venezuela volgens het ambtsbericht van verweerder een van de gevaarlijkste en dodelijkste landen ter wereld. Eiseres heeft aangevoerd dat de veiligheidssituatie voor haar een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn oplevert en dat zij vanwege haar persoonlijke kenmerken in combinatie met de zeer slechte veiligheidssituatie in Venezuela gegronde redenen heeft om te vrezen dat zij bij terugkeer in Venezuela slachtoffer zal worden van een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Eiseres verwijst hierbij naar het arrest X.Y. van het HvJEU van 9 november 2023 [2] . Verweerder heeft in strijd met dit arrest en onvoldoende gemotiveerd waarom gelet op haar persoonlijke situatie haar beroep op artikel 3 van Pro het EVRM wordt afgewezen. De berovingen zijn niet in geschil, dit is volgens artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn een duidelijke aanwijzing dat het risico op lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Hierover heeft verweerder in het bestreden besluit niets overwogen.
7.1
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres haar stelling dat in Venezuela sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn niet heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat bij terugkeer sprake is van een risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder alle door eiseres aangevoerde persoonlijke omstandigheden kenbaar betrokken. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat de beroving willekeurige gebeurtenissen waren en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de daders het specifiek op haar hadden voorzien. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres wel in staat is gebleken om in Venezuela te blijven wonen, ondanks de berovingen, en dat zij hier geen aangifte van heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en haar kleinkinderen?
8. Eiseres voert aan dat tussen haar, haar dochter en haar kleinkinderen sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres erkent dat zij in het aanvullend gehoor niet consequent heeft verklaard dat zij de voogdij heeft over haar kinderen. De reden hiervoor is dat eiseres psychische beperkingen heeft. Eiseres wordt steeds vergeetachtiger, ze vergeet haar medicatie, laat het fornuis aan staan en vergeet soms de weg van de supermarkt naar huis. Eiseres heeft in het aanvullend gehoor benoemd dat zij de wettelijke voogdij over haar kleinkinderen van hun moeder heeft gehad. Verder geeft ze aan dat zij de voogdijverklaring nodig had om met de kinderen te reizen. Het feit dat haar dochter in 2019/2020 het ouderlijk gezag volledig toegewezen heeft gekregen, heeft als reden dat zij niet wilde dat haar man nog gezag zou hebben over de kinderen. Eiseres heeft later de voogdij gekregen om op te kunnen treden bij een doktersbezoek, de schoolkeuze en om paspoorten aan te kunnen vragen om naar Nederland te kunnen reizen. De voogdijverklaringen zijn duidelijke indicaties dat eiseres voor de kinderen heeft gezorgd toen haar dochter in Nederland was en een duidelijke aanwijzing dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Eiseres heeft voor haar kleinkinderen gezorgd toen zij vanwege het corona virus het huis niet uitkwamen. Het leven speelde zich binnenshuis af en daarom zijn er weinig foto’s. Eiseres belde regelmatig met haar dochter. Verder wijst eiseres erop dat haar dochter en haar minderjarige kleinkinderen haar in Venezuela niet zouden kunnen bezoeken, omdat haar dochter in Nederland een asielvergunning heeft en er daarom sprake is van een objectieve belemmering. Tenslotte wijst eiseres erop dat verweerder bij het afwegen van het economisch belang van de Nederlandse staat te weinig waarde heeft gehecht aan de omstandigheid dat haar dochter een vluchtelingenstatus heeft en parttime werkt in de zorg.
8.1
De rechtbank stelt voorop dat er volgens het EHRM [3] familieleven kan bestaan in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen een grootouder en een minderjarig kleinkind "where there are sufficiently close family ties between them" (paragraaf 108 van de beslissing van het EHRM van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië [4] ). De rechtbank leest hierin dat sprake moet zijn van hechte persoonlijke banden. [5] Een hechte en persoonlijke band is een begrip van feitelijke aard. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig contact, of als betrokkenen hebben samengewoond. [6]
Is er sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen?
8.2
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en haar kleinkinderen geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De rechtbank constateert dat de dochter van eiseres in haar nader gehoor van 22 december 2020 [7] heeft verklaard dat haar kinderen sinds haar vertrek uit Venezuela op 9 december 2020 bij een vriendin hebben verbleven. Uit het nader gehoor van eiseres van 14 juni 2022 [8] blijkt dat de kinderen na het verblijf bij de vriendin aan de zorg van eiseres zijn toevertrouwd. De rechtbank overweegt dat eiseres gelet op het voorgaande en de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] , de foto’s van eiseres met haar kleinkinderen, de whatsappberichten tussen [naam 2] en [naam 1] en hun moeder, aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor een periode van 1,5 jaar in Venezuela in gezinsverband met haar kleinkinderen heeft samengewoond. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat aan de in kopie overgelegde voogdijverklaringen maar beperkt waarde kan worden gehecht of dat niet van de inhoud kan worden uitgegaan, omdat eiseres met haar kleinkinderen van Venezuela naar Nederland heeft kunnen reizen. De beroepsgrond slaagt.
De belangenafweging
8.3
De rechtbank stelt vast dat bij deze zaak twee minderjarige kinderen zijn betrokken. De rechtbank brengt in herinnering dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK [9] bij alle maatregelen die kinderen betreffen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Dit wordt in de jurisprudentie van het EHRM [10] onderstreept. Aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven zijn, dient dus aanzienlijk gewicht toe te komen. Dit betekent dat het van groot belang is om de belangen van [naam 1] en [naam 2] volledig en gedegen te inventariseren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat onvoldoende gedaan in de het aanvullend besluit en ook op zitting is daarvan onvoldoende gebleken.
8.4
Uit de jurisprudentie van het EHRM [11] volgt verder dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en de gezinsleden en het Nederlands algemeen belang. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. De omstandigheden op grond waarvan is aangenomen dat er sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven spelen daarbij ook een rol. Volgens de genoemde jurisprudentie van het EHRM is het antwoord op die vraag immers afhankelijk van bijzondere omstandigheden van de betrokkene en het algemeen belang. De rechtbank toetst of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, zo ja, of de belangenafweging van verweerder heeft geresulteerd in een “fair balance”. [12]
8.5
De rechtbank overweegt ten aanzien van de belangen van de kinderen dat verweerder de door eiseres in beroep overgelegde verklaringen van [naam 2] en [naam 1] en de toelichting in de brieven van de schoolmaatschappelijk werker en de directeur van de basisschool [naam school] onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling. Hieruit blijkt namelijk dat de aanwezigheid van eiseres voor de kleinkinderen en hun moeder van wezenlijk belang is voor de ontwikkeling van de kinderen en dat zij als steunpilaar fungeert in het gezin. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn stelling dat niet is onderbouwd dat er ontwikkelingsschade zou ontstaan wanneer eiseres geen verblijf wordt toegestaan. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de brieven niet afkomstig zijn van deskundigen, zodat daar weinig waarde aan kan worden gehecht, volgt de rechtbank verweerder daarin ook niet. De brieven zij afkomstig van mensen die pedagogisch zijn opgeleid en die dagelijks contact hebben met [naam 2] en [naam 1] en daarom bij uitstek gepositioneerd zijn om zich uit te laten over het welbevinden van de kinderen.
8.6
De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een objectieve belemmering bij terugkeer van eiseres naar Venezuela. De rechtbank constateert dat op zitting is verklaard dat de dochter van eiseres op grond van haar Syrische nationaliteit een asielvergunning heeft gekregen en dat vanwege de door haar gestelde problemen Venezuela niet als veilig derde land is tegengeworpen. Verweerder heeft dit niet betwist. Dit betekent dat het familieleven zoals eiseres dat nu heeft met haar dochter en kleinkinderen niet voortgezet kan worden in Venezuela, omdat de dochter van eiseres niet met haar kinderen naar Venezuela kan reizen. In dit kader is ook van belang dat het gezinsleven ven eiseres met de kleinkinderen niet is aangegaan tijdens illegaal verblijf. De rechtbank wijst er verder op dat gelet op het tijdsverloop sinds de indiening van asielaanvraag het op de weg van verweerder had gelegen om de dochter van eiseres, zoals door deze rechtbank en zittingsplaats tijdens de eerste zitting is voorgesteld, aanvullend over de gezinsbanden te horen. Dat heeft verweerder ten onrechte nagelaten. [13]
8.7
De rechtbank stelt ook vast dat bij de weging van het economisch belang niet kenbaar de vluchtelingenachtergrond van de dochter van eiseres is betrokken. In dit kader is van belang dat de dochter van eiseres parttime werkt in een verzorgingstehuis [14] en dat dit mogelijk is omdat eiseres een deel van de zorg voor de (klein)kinderen op zich neemt. Verder dient verweerder te betrekken dat eiseres bij haar dochter woont en dat dit betekent dat er geen sprake is van aanvullende druk op de woningvoorraad in Nederland.
8.8
De rechtbank concludeert dat verweerder de af te wegen belangen niet goed in kaart heeft gebracht en hij dient daarom een nieuwe belangenafweging te maken. De rechtbank constateert dat vanwege de hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar minderjarige kinderen sprake is van familie- en gezinsleven dat in Venezuela is ontstaan en zich in Nederland heeft voortgezet. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een objectieve belemmering die inhoudt dat de dochter van eiseres niet met haar kinderen naar Venezuela kan reizen om hun oma daar te bezoeken. Omdat volgens verweerder aan de voorgenoemde omstandigheden veel gewicht toekomt, dienen zij in de nieuw te verrichten belangenafweging naar hun gewicht te worden betrokken. De beroepsgrond slaagt.
Is er sprake van familieleven tussen eiseres en haar volwassen dochter?
9. Eiseres voert verder aan dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en haar dochter. Eiseres heeft hulp nodig bij het nemen van haar medicatie. Ze is vergeetachtig. Zonder haar dochter kan zij niet zelfstandig functioneren. De buurvrouw en haar zoon kunnen haar in Venezuela niet ondersteunen. Verweerder voert ten onrechte aan dat sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid. Eiseres heeft na het aanvullend gehoor een GZA-overzicht overgelegd, waaruit blijkt dat eiseres medische zorg nodig heeft.
9.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er onvoldoende omstandigheden zijn om aan te nemen dat sprake is van familieleven tussen eiseres en haar volwassen dochter. Hierbij is van belang dat eiseres na het vertrek van haar dochter nog 1,5 jaar in Venezuela heeft verbleven zonder de hulp van haar dochter en ook niet financieel afhankelijk van haar was. De buurvrouw [naam 4] hielp eiseres met innemen van de medicatie en de dagelijkse bezigheden zoals het doen van boodschappen en het huishouden. De rechtbank constateert dat eiseres heeft verklaard maar niet heeft onderbouwd dat zij in Venezuela niet geholpen kan worden door haar zoon. Dit betekent dat verweerder geen belangenafweging hoeft te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit staat in artikelen 3:2, 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM dient te maken met betrekking tot het familie- en gezinsleven van eiseres en haar kleinkinderen.
10.1
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor 10 weken in verband met het horen van de dochter van eiseres.
10.2
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 januari 2024;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), ECLI:EU:C:2023:843.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.
5.Zoals volgt uit Werkinstructie 2020/16: Richtlijnen voor toepassing van artikel 8 EVRM Pro (WI 2020/16), paragraaf 3.3.2.
6.ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.
7.Rapport Nader gehoor [naam 3] , pagina 13.
8.Rapport Nader gehoor, pagina 7.
9.Verdrag inzake de rechten van het kind.
10.Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zie onder meer de arresten van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, § 109, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, en 8 november 2016, El Ghatet tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, § 46.
11.Onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (nr. 50435/99), Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011 (nr. 38058/09), Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (nr. 55597/09) en het arrest Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012.
12.Zie overweging 57 van het arrest A.A. v. U.K. van 20 september 2011 (Application no. 8000/08), waaruit volgt dat het aan de nationale rechter is om niet alleen de relevante feiten vast te stellen maar ook het gewicht dat daaraan moet worden toegekend.
13.Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD0012738, r.o. 116.
14.Rapport Aanvullend gehoor, pagina 18.