ECLI:NL:RBDHA:2025:24160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
09/177823-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan een gewapende woningoverval met gevangenisstraf en schadevergoeding

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, geboren in 1998, die medeplichtig was aan een gewapende woningoverval die plaatsvond in de nacht van 30 op 31 mei 2025 in Schiedam. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk behulpzaam was geweest bij de woningoverval door de medeverdachten naar de woning te brengen en daar te wachten. De overval was gewelddadig en de slachtoffers, waaronder een gezin met kinderen, werden bedreigd met een vuurwapen en geslagen met een zaklamp. De rechtbank concludeerde dat de verdachte wist van de criminele intenties van de medeverdachten en dat hij hen niet alleen naar de woning had gebracht, maar ook na de overval zou moeten wegvoeren. De vorderingen van de benadeelde partijen werden gedeeltelijk toegewezen, met schadevergoedingen voor materiële en immateriële schade, en de verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze schade.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/177823-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie]
.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 september 2025 (pro forma) en
4 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Dogan naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 4 december 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2025184350, van de politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Noord, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 304).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 1 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 105-106):
Ik woon aan het [adres 2] te Schiedam. Ik was op 31 mei 2025 omstreeks 00:15 uur thuis. Ik haalde mijn voordeur van slot en opende deze. Ik liep mijn gang in en draaide mij om naar de voordeur toe om deze dicht en op slot te doen. Terwijl ik de deur dicht wilde duwen voelde ik dat mijn voordeur met kracht werd opengeduwd. Ik zag direct twee mannen in mijn deuropening staan en ik zag dat een van de mannen een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat het vuurwapen op mij gericht was. Ik hoorde de mannen direct om geld schreeuwen. Dat wapen was op mijn hoofd gericht. Terwijl ik in een soort van worsteling raakte kreeg ik van de andere man meerdere klappen op mijn hoofd. Ik zag dat de man die mij sloeg dit deed met een grote zaklantaarn. Ze bleven maar om geld schreeuwen. Ik riep terug naar ze: "Ik heb geld". Ik had 370 euro aan kasgeld bij mij en een paar vijfjes van mijzelf. Ik gaf het geld aan ze. Ik hoorde ze toen roepen om een kluis. Terwijl dit allemaal gebeurde werd ik getiewrapped en werd mond dicht getaped. Dit deed de jongen die mij sloeg. Ik zag die jongen vervolgens naar de bovenverdieping gaan en zag dat de jongen die mij sloeg mijn vrouw de woonkamer in sleurde. Ik zag dat hij haar handen vastbond en haar mond dicht tapte. Ik zag vervolgens dat hij weer naar de bovenverdieping liep en vervolgens met mijn jongste dochter de woonkamer in liep. Ik zag dat hij haar handen ook vast bond en haar mond dicht tapte. Ik werd toen ook de woonkamer in gesleurd. Die twee jongens bleven schreeuwen om geld en om de kluis. Ik werd weer geslagen. Op een gegeven moment voelde ik een hele harde klap en ben ik out gegaan.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 119):
De verdachten schreeuwden tegen mij "Wil je ook een kogel door je hoofd, hou je bek." Ik kreeg toen ook een klap op mijn linkerschouder. Ik werd geslagen met iets van een lantaarn. Zij schreeuwden dat ik mijn handen voor mij moest houden, en toen mijn handen vastgebonden met een tierap en mijn mond afgeplakt met zwarte plakband. Eén van die mannen ging toen naar boven om geld te zoeken.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] , opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 122):
De man die mij uit mijn kamer haalde bond mijn handen vast en tapte mijn mond dicht.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 29-31):
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , verklaar het volgende:
Op 31 mei 2025 hoorde ik dat er eenheid de opdracht kreeg te gaan naar de [adres 2] te Schiedam alwaar er zich een woningoverval zou hebben voor gedaan. Derhalve stemde ik af om de namen te noteren van de inwonende aan het [adres 2] te Schiedam. Ik sprak met een vrouw die mij opgaf genaamd te zijn: [aangeefster 3] . Zij gaf mij aan dat de andere inwoners genaamd waren: [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] .
Ik sprak met [aangeefster 1] , zij vertelde mij in het kort het volgende:
‘’Ik zag dat een van de mannen mijn man sloeg. Ik zag dat de andere man met een pistool naar mij toe kwam. Ik zag dat hij het pistool naast mijn hoofd hield. Ik hoorde hem zeggen: "Wil je dat ik je dood schiet?"’’
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 26-27):
Wij, verbalisanten, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , verklaren het volgende:
Op 31 mei 2025 hoorden wij omstreeks 00.23 uur dat de politiecollega’s van het operationeel centrum de opdracht kregen om te gaan naar de [adres 2] te Schiedam. Wij lieten ons ook koppelen aan dit incident en gingen ter plaatse. Wij betraden de woning en hielden twee personen aan in de woning. De personen bleken later te zijn genaamd: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 12 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 180-189):
Ik heb die jongen afgezet. We hebben nog wat sigaretten gerookt en daarna ben ik ook weer weggegaan. Die jongen heet als het goed is [medeverdachte 2] . Hij had een vriend bij zich, maar die ken ik niet.
7. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 december 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 30 mei 2025 met [medeverdachte 2] heb afgesproken bij de Komiezenlaan in Rotterdam en dat [medeverdachte 2] had gezegd dat ik bij de McDonalds moest wachten. Het klopt dat ik daar aan kwam en dat ik achter [medeverdachte 2] aan naar de Giessenweg in Rotterdam ben gereden.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 161-170):
Ik, verbalisant, [verbalisant 4] , hoofdagent werkzaam bij de Eenheid Rotterdam, verklaar het volgende:
In het voertuig van [medeverdachte 2] bleek een witte Apple iPhone 14 te liggen, welke voor nader onderzoek in beslag werd genomen. De data van de telefoon werd veiliggesteld. De data van de telefoon zal door mij, verbalisant, worden weergegeven in dit proces-verbaal.
Ik zag dat [medeverdachte 2] op 16 mei 2025 om 09:24 in een groepsapp genaamd: ‘X’ geplaatst werd door het contact: ' [contactnaam 1] ’. Ik zag dat het contact [contactnaam 1] het telefoonnummer had dat gekoppeld was aan de volgende persoon: [medeverdachte 3] . Ik zag dat de derde deelnemer in deze gespreksgroep het contact ‘ [contactnaam 2] ' was. Ik zag dat dit contact gekoppeld was aan [verdachte] .
[contactnaam 1] : Yo boys jullie kunnen hier praten dan hoef ik niet er tussen te zitten. (16-5-2025 09:24:37)
R: Yo broeders (16-5-2025 10:45:12)
R: Ik heb alles ready voor die klus, heeft P je een beetje verteld hoe en wat? (16-5-2025 10:46:06)
[contactnaam 2] : Yow broeder (16-5-2025 11:19:23)
[contactnaam 2] : Jatoch hij zei me, ben na 18:30u actief (16-5-2025 11:20:15)
[contactnaam 2] : Dan kunnen we meeten gelijk (16-5-2025 11:20:27)
R: Gf takkie over die tori, dan hebben we elkaar ook gezien (16-5-2025 18:55 32)
Opmerking verbalisant: Gf takkie betekent; 'een praatje maken’ en tori betekent: ‘iets of ding’ dus vrij vertaald betekent die zin: “Maken we een praatje over dat iets of dat ding.”
[contactnaam 2] : Dirkslandstraat sta ik (16-5-2025 19:04:19)
[contactnaam 2] : Ter hoogte van [huisnummer] (16-5-2025 19:04:36)
R: Aii 6mm (16-5-2025 19:05:09)
[contactnaam 2] : Aaiiaii (16-5-2025 19:06:19)
R: Yo bro die soldaat van me is ff niet actief, zodra die man paraat is dan laat ik je weten (18-5-2025 22:04:13)
[contactnaam 2] : Yow is cool man bro, laat me weten Ik ben ready (18-5-2025 22:07:23)
R: Yo bro kan je vnv? (26-5-2025 15:47:53)
[contactnaam 2] : Yow Vanavond kan ik (26-5-2025 16:27:33)
R: Kan je 21 00 bij Maccie spaanse polder zijn bro? (26-5-2025 18:12:38)
[contactnaam 2] : Is cool bro ben ik daar (26-5-2025 18:13:43)
R: Yo bro ik ga t zelf niet redden, kan je woensdag (26-5-2025 19:50:01)
R: Awo bro kan je morgenavond? Dan gaan we, is iets gebeurd anders zouden we vnv zeker gaan (28-5-2025 17:37:23)
[contactnaam 2] : Morgen kan ik maar iets later pas. Tegen 11 u zo (28-5-2025 18:59:31)
R: Aii oke ff kijken man anders vrijdag want we moeten rond 21 00 wel daar in de buurt zijn (20:07:17)
R: Yo broeder gaat vnv lukken? (30-5-2025 14:12:48)
[contactnaam 2] : Yow gaat lukken bro (30-5-2025 14:27:01)
[contactnaam 2] : Ben omw (30-5-2025 20:49:18)
R: Ik sta bij kommiezenlaan zwarte Taxi (30-5-2025 20:58:53)
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 200-207):
Ik, verbalisant, [verbalisant 4] , hoofdagent werkzaam bij de Eenheid Rotterdam, verklaar het volgende:
De locaties van het mobiele toestel van [verdachte] werden door mij nader onderzocht.
30 mei 2025 21:10:45 uur tot 30 mei 2025 21:16:14 uur
Ik zag dat het toestel tussen de hiervoor genoemde tijdstippen op de volgende coördinaten was (51.926693, 4.428153) Dit bleek op de Giessenweg te Rotterdam te zijn, op de locatie waar verdachte [medeverdachte 2] zijn auto geparkeerd had.
30 mei 2025 21:27:27 uur tot 31 mei 2025 00:20:24 uur
Ik zag dat het toestel tussen de hiervoor genoemde tijdstippen op de volgende coördinaten was (51.946403, 4.375687) Dit bleek op De Velden te Schiedam te zijn. De straat waar op 30 mei 2025 omstreeks 21.30 uur door een getuige een lichtgrijze BMW met geblindeerde achterruiten werd gezien.
31 mei 2025 00:32:02 uur tot 31 mei 2025 02:39:00 uur
Ik zag dat het toestel tussen de hiervoor genoemde tijdstippen op de volgende coördinaten was (51.926730, 4.427922) Dit bleek wederom op de Giessenweg te Rotterdam te zijn. Volgens Google Maps zouden deze coördinaten zich wederom nabij de locatie waar de verdachte [medeverdachte 2] zijn auto geparkeerd had
Ten slotte bekeek ik de zogenoemde Web History van het toestel van [verdachte] . Ik richtte mij op de web historie van 31 mei 2025.
31-05-2025 00:31:07 (UTC+0) https://www.politie.nl/mijn-buurt/nieuws?geoquery=Rotterdam&dis
31-05-2025 00:22:42 (UTC+0) https://112nederland.nl
10. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 23 september 2025, voor zover inhoudende (p. 266)
Wat had jij tegen [medeverdachte 3] gezegd waarom jij iemand nodig had die kon rijden?
Ik had tegen hem gezegd dat iemand mij geld schuldig was en dat ik een ritje nodig had naar die persoon
Die 16 mei, dat moment dat je met [verdachte] had afgesproken bij hem in de buurt, wat zeg je dan tegen hem?
En ten slotte over wat ik ook tegen [contactnaam 1] zei, dat iemand mij geld schuldig is.
Op welk moment op 31 mei 2025 zetten jullie de bivakmuts/balaclavas op?
Het moment dat ik de witte bus zag en hij aan kwam rijden.
Waar stond of zat jij op dat moment?
Ik was toen een sigaret aan het roken, naast de auto op de parkeerplaats.
Jij ziet de bus en dan zet jij gelijk je bivakmuts of balaclava op?
Ja ik riep [medeverdachte 1] van ‘kom hij is er toen zette ik mijn bivakmuts op.
Je zegt dat je naast de auto stond, naast welke auto stond jij?
Die van [verdachte] .
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat in de nacht van 30 op 31 mei 2025 een gewapende woningoverval plaats heeft gevonden op de [adres 2] in Schiedam (hierna: de woning) waarbij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] drie van de aanwezige bewoners (een vader, moeder en hun jongste dochter) met geweld en onder dreiging van een wapen hebben bestolen. De vader van het gezin is meerdere keren hard tegen zijn hoofd geslagen en de moeder is tegen haar schouder geslagen, beiden met een zaklamp welke is gebruikt als slagwapen. De handen van deze drie bewoners zijn vastgebonden met tie wraps en hun monden zijn dichtgeplakt met tape. De oudste dochter, die eveneens in de woning was, heeft zichzelf verstopt op zolder en heeft 112 gebeld. De vader van het gezin heeft € 380,- aan de medeverdachten afgegeven.
Vaststaat dat de verdachte de bestuurder is geweest van de auto waarmee de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn opgehaald bij een parkeerplaats aan de Giessenweg in Rotterdam en waarmee zij vervolgens naar de woning in Schiedam zijn gereden.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte medeplichtig is geweest aan deze woningoverval.
Medeplichtigheid
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Als het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) is gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van zo'n voldoende verband sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. In de regel zal echter kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, bijvoorbeeld bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van voldoende verband met het gronddelict. Daarbij zijn de aard van het gronddelict, de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte behulpzaam is geweest aan de woningoverval door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op te halen op de parkeerplaats aan de Giessenweg in Rotterdam en hen vervolgens naar de woning in Schiedam te brengen waar de woningoverval heeft plaatsgevonden.
De rechtbank moet voorts beoordelen of de verdachte ook opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het gronddelict, te weten de afpersing en poging tot diefstal met geweld.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de woningoverval in die zin dat hij vanaf het moment dat hij de klus voor het rijden naar de woning aannam wist van het plan van de woningoverval met geweld. De vraag die vervolgens voorligt is of sprake is van voorwaardelijk opzet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de chatberichten die op de telefoon van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, blijkt dat de verdachte op 16 mei 2025 door [medeverdachte 2] wordt gevraagd voor een ‘klus’. De verdachte laat weten op de hoogte te zijn van hoe of wat. Dezelfde dag vindt er nog een ontmoeting plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , waarbij [medeverdachte 2] hem vertelt dat iemand hem geld schuldig is. Op 18 mei 2025 stuurt [medeverdachte 2] een bericht aan de verdachte dat ‘die soldaat’ van hem even niet actief is en dat hij zal laten weten wanneer hij weer ‘paraat’ is. De verdachte laat hierop weten dat hij klaar staat. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte wist dat bij deze klus een ander persoon betrokken zal zijn en dat het van deze persoon af zou hangen of de ‘klus’ door zou gaan.
In de daaropvolgende chatgesprekken tussen [medeverdachte 2] en de verdachte wordt vervolgens meerdere malen gezocht naar een datum. Deze gesprekken wekken niet de indruk dat dit gaat om verschillende snorderritjes, maar om één rit die telkens verplaatst wordt. Op 26 mei 2025 wordt namelijk exact dezelfde afspraak gemaakt als op de avond van de overval, waarbij er wordt afgesproken om 21:00 uur bij de McDonalds in de Spaanse Polder. Deze afspraak gaat op het laatste moment toch niet door. Op 28 mei 2025 vraagt [medeverdachte 2] of de verdachte morgenavond kan en als de verdachte pas rond 23:00 uur beschikbaar zal zijn, laat [medeverdachte 2] weten dat het belangrijk is dat ze rond 21:00 uur ‘daar in de buurt zijn’ en dat vrijdagavond dan een betere optie is. Uit deze gesprekken leidt de rechtbank af dat het moment waarop ze ‘gaan’ enkel wordt bepaald door de beschikbaarheid van de verdachte, [medeverdachte 2] en de ‘soldaat’ van [medeverdachte 2] en niet – zoals de verdachte heeft verklaard – door een afspraak om te chillen die [medeverdachte 2] met een vriend gemaakt zou hebben.
Uiteindelijk wordt er op 30 mei 2025 afgesproken om 21:00 uur bij de McDonalds in de Spaanse Polder in Rotterdam. Aan de hand van de verklaringen van de verdachte en de gps-gegevens van de telefoon van de verdachte stelt de rechtbank vast dat de verdachte naar deze McDonalds is gereden en daar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] treft. De verdachte is vervolgens achter de medeverdachten aan gereden naar een parkeerplaats aan de Giessenweg, waar de auto van [medeverdachte 2] wordt achtergelaten. De twee medeverdachten stappen in bij de verdachte en vervolgens rijden ze naar De Velden in Schiedam, om de hoek bij de woning waar later de overval heeft plaats gevonden. Dit was een korte rit van circa tien minuten. Vervolgens hebben ze met zijn drieën van 21:27 uur tot omstreeks 00:20 uur om de hoek van de woning van de slachtoffers gewacht, tot het mannelijke slachtoffer rond 00.15 uur thuis kwam. Bij het zien van de bus van het mannelijke slachtoffer heeft [medeverdachte 2] medeverdachte [medeverdachte 1] gewaarschuwd en zich naast de auto van de verdachte van gezichtsbedekking voorzien.
Omstreeks 00.20 uur kregen politiesurveillanten van een medewerker van het Operationeel Centrum Rotterdam de opdracht om te gaan naar het [adres 2] in Schiedam. Uit de verklaringen van de slachtoffers volgt dat de woningoverval dan al enkele minuten bezig is. Uit de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat hij om 00.20 uur vertrekt bij de woning, vrijwel direct de website 112nederland.nl bezoekt en weer terug is gereden naar de Giessenweg, de plek waar de auto van [medeverdachte 2] stond. Hij heeft vervolgens nog twee uur op deze plek gestaan.
Uit de genoemde gedragingen van de verdachte leidt de rechtbank af dat hij wist van de criminele intenties van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat hij hen niet alleen met zijn auto naar de woning toe zou brengen, maar hen ook na afloop van de woning zou moeten wegvoeren. Dat is ook de meest logische verklaring gelet op wat de algemene ervaring leert. De algemene ervaring leert namelijk dat de daders van een woningoverval er veel aan is gelegen om het risico op ontdekking door derden of de aanhouding door de autoriteiten uit te sluiten althans zoveel als mogelijk te beperken. Dat belang van risicobeperking wordt gediend wanneer gebruik wordt gemaakt van een al gereedstaande vluchtauto. Dit impliceert dat de rol van de bij de vluchtauto betrokken persoon voor een geslaagde woningoverval van wezenlijke betekenis is. Niet valt in te zien dat het evidente belang van risicobeperking wordt gediend met een onwetende chauffeur. Het is immers niet goed voorstelbaar dat de gevolgde werkwijze, erin bestaand dat de daders uren nabij de woning van de slachtoffers in en nabij de auto van de verdachte hebben gewacht en tenminste één dader direct naast de auto van de verdachte een bivakmuts heeft opgezet, buiten medeweten van de chauffeur kan hebben plaatsgevonden, en dus zonder enige tevoren met hem gemaakte afspraak.
Bij de daders dient het vertrouwen te bestaan in het na de overval snel en ongestoord kunnen wegkomen van de plaats van de overval. Dat betekent dat ook voldoende zekerheid dient te bestaan dát er kan worden gevlucht. Die zekerheid kan slechts bestaan als de chauffeur die gelegenheid daartoe biedt.
Bezien in het licht van het vorenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de daders van de woningoverval deze ervaringsregel(s) aan hun laars hebben gelapt en pas na de woningoverval wel zouden zien hoe zij weg zouden komen. Aan de rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die meebrengen dat in het onderhavige geval deze ervaringsregel(s) uitzondering hebben geleden. Integendeel is juist gebleken dat [medeverdachte 2] al een maand bezig was met het plannen van de woningoverval en deze goed had voorbereid.
Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden in samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het aannemen van de klus en tijdens de uitvoering daarvan, wist dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de bedoeling hadden een schuld te gaan innen en daarvoor een rit nodig hadden, hetgeen mede gelet op de voorbereiding van het plan weinig goeds in de zin had en dat hij daar opzettelijk behulpzaam bij was. Door hen, wetende van de criminele intenties van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , in de avond/nacht van 30 op 31 mei 2025 naar de woning van de slachtoffers te brengen en daar te blijven wachten heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze medeverdachten het geld zonder toestemming van de bewoners van de woning zouden meenemen.
De rechtbank overweegt dat met het wegbrengen en blijven wachten op de twee daders vast staat dat de verdachte de uitvoering van het ophalen van geld heeft voorbereid en vergemakkelijkt en dat hij opzet heeft gehad op die bijdrage. Het opzet van de verdachte is gericht geweest op het innen van een schuld, zo nodig door het geld zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte wist dat de daders van de overval wapens bij zich hadden. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat het opzet van de verdachte mede gericht is geweest op het forse geweld waarmee het ophalen van het geld gepaard is gegaan. Wel is de rechtbank van oordeel dat het delict waarvan de verdachte uitging (diefstal) in dit geval voldoende verband houdt met het door de daders uitgevoerde gronddelict, te weten afpersing c.q. poging tot diefstal met geweld. Dat betekent dat kan worden bewezen verklaard en gekwalificeerd dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het medeplegen van een afpersing en poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Dat het opzet van de verdachte beperkt was tot diefstal als gronddelict, zal bij de strafoplegging in aanmerking worden genomen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 31 mei 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging , in een woning aan [straatnaam] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [aangever] toebehoorde door
- de deur open te duwen terwijl die [aangever] deze dicht wilde doen,
- een wapen te tonen en te richten op die [aangever] en daarbij te schreeuwen om geld en
- die [aangever] meermaals met een voorwerp op zijn hoofd te slaan
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 mei 2025 te Schiedam opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar de woning te brengen;
en
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 31 mei 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om uit een woning aan [straatnaam] geld en/of (de inhoud van) een kluis dat aan dhr. [aangever] , mw. [aangeefster 1] , [aangeefster 3] en/of [aangeefster 2] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan
en/ofte doen vergezellen te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen dhr. [aangever] , mw. [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken,
- die [aangever] meermaals met een voorwerp op zijn hoofd hebben geslagen,
- die [aangeefster 1] met een voorwerp tegen haar schouder hebben geslagen,
- de handen van die [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] aan elkaar hebben vastgebonden met tie wraps,
- de monden van die [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] hebben dichtgeplakt met tape,
- een wapen heeft getoond en het hoofd hebben gericht van die [aangever] en hebben geschreeuwd om geld en de kluis,
- een wapen hebben getoond en naast het hoofd van die [aangeefster 1] hebben gehouden en hebben gezegd "wil je dat ik je dood schiet?" en "wil je ook een kogel door je hoofd",
- de woning van die dhr. [aangever] , mw. [aangeefster 1] , [aangeefster 3] en/of [aangeefster 2] hebben doorzocht
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 mei 2025 te Schiedam opzettelijk behulpzaam is geweest, door die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar de woning te brengen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Gelet op de duur van de gevorderde gevangenisstraf, verzoekt de officier van justitie niet de oplegging van een contact- en locatieverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de beperkte rol die de verdachte heeft gehad.
De verdediging heeft geen standpunt aangenomen ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende woningoverval die in de nacht plaatsvond. De verdachte heeft als chauffeur de medeverdachten opgehaald en naar de woning van de slachtoffers gebracht. Zij hebben uren gewacht tot het slachtoffer thuiskwam.
Bij de overval is gebruik gemaakt van een vuurwapen en een zaklamp, welke als slagwapen zijn gebruikt. De mededaders hebben de nietsvermoedende vader van het gezin overvallen en zijn de woning binnengedrongen. Ze hebben de vader bedreigd met een vuurwapen en hem met de zaklamp en het vuurwapen meerdere keren hard geslagen, waarbij de vader ernstig letsel aan zijn hoofd en arm heeft opgelopen. De moeder heeft haar man horen schreeuwen en is hierop de slaapkamer uit gekomen. Zij is door een van de mededaders naar beneden getrokken. Ook de jongste dochter is uit haar slaapkamer gehaald en naar beneden gestuurd. Bij de vader, de moeder en de jongste dochter zijn de handen met tie wraps aan elkaar vastgebonden en de monden dichtgeplakt met tape. In de woning was ook de oudste dochter aanwezig. Zij heeft het voorval vanaf de zolderverdieping meegemaakt en heeft zich moeten verstoppen voor één van de overvallers die in haar slaapkamer op zoek was naar goederen. Zij heeft kans gezien de hulpdiensten te alarmeren.
Deze gebeurtenissen moeten voor de slachtoffers buitengewoon beangstigend zijn geweest. Zeker nu de ouders niet in staat waren bescherming te bieden aan hun kinderen. De rechtbank vindt het extra kwalijk dat ook twee minderjarige kinderen slachtoffer zijn geworden van deze brute overval. Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval, zeker als deze gepaard gaat met fors geweld, vergaande gevolgen voor de slachtoffers heeft. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Dat geldt eens te meer voor kinderen voor wie de ouderlijke woning een veilige uitvalsbasis moet zijn. Mede door het handelen van de verdachte als chauffeur, en zijn mededaders, is de slachtoffers dit gevoel van veiligheid ontnomen. De ervaring leert dat slachtoffers van een woningoverval nog lange tijd gevoelens van angst houden en daarvan veel hinder ondervinden in hun dagelijks leven. Uit de slachtofferverklaringen van [aangever] , [aangeefster 1] en [aangeefster 3] blijkt hoe groot de impact op hen en de rest van het gezin geweest is, waarbij slachtoffer [aangever] in het bijzonder nog elke dag geconfronteerd wordt met het voorval vanwege de littekens die hij hier, onder andere in zijn gezicht, aan heeft overgehouden. Ook blijkt uit hun verklaringen dat zij nog steeds bang zijn in hun eigen woning.
Van dit alles hebben de verdachte en zijn mededaders zich geen enkele rekenschap gegeven. De rechtbank rekent dit alles de verdachte en zijn mededaders dan ook zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
4 november 2025, waaruit volgt dat eventuele risico verhogende factoren gelegen kunnen zijn in de leefgebieden sociaal netwerk, financiën en het psychosociaal functioneren. Anderzijds zijn er ook voldoende beschermende factoren. De reclassering kan het recidiverisico niet inschatten. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf
De rechtbank merkt op dat het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7932). Zoals hiervoor reeds is overwogen is het opzet van de verdachte gericht geweest op diefstal door twee of meer verenigde personen en bedraagt het maximum van de aan hem op te leggen gevangenisstraf vier jaren.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Rekening houdend met de relatief beperkte rol van de verdachte acht de rechtbank alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van een maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 47.741,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.741,- aan materiële schade,
€ 20.000,- aan immateriële schade en € 25.000,- aan toekomstige schade.
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.885,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade,
€ 20.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- toekomstige schade.
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 20.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- aan toekomstige schade.
[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.811,45, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.311,45 aan materiële schade, € 8.000,- aan immateriële schade en € 2.500,- aan toekomstige schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [aangever] kan worden toegewezen voor een bedrag van € 20.461,-, bestaande uit de gevorderde kosten van eigen risico en het ziekenhuisgeld, en immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd is.
De officier van justitie stelt zich tevens op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.385,-, bestaande uit de gevorderde kosten van het eigen risico en immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd is.
De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De officier van justitie stelt zich als laatste op het standpunt dat de vordering van [aangeefster 3] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 11.311,45,-, bestaande uit de gevorderde kosten van de extra rijlessen en het gemiste rijexamen, en de immateriële schade, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Alhoewel er tegen deze benadeelde partij geen geweld is gebruikt en zij niet is bedreigd, is de door haar gevorderde schade wel rechtstreekse schade van het strafbare feit. Over de toekomstige schade van [aangeefster 3] heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak ook een medeplichtige hoofdelijk jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De opvatting dat de bijdrage van de verdachte aan de overval niet in gelijke mate als de bijdrage van de daders de grondslag kan vormen voor vergoeding van de door die overval veroorzaakte schade – zelfs als het opzet van de verdachte op een minder vergaand gronddelict was gericht – vindt geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX5554).
Materiële en toekomstige schade
Benadeelde partij [aangever]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het eigen risico, de huishoudelijke hulp en de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Uit de namens de benadeelde partij overgelegde stukken is niet gebleken dat het eigen risico door dit incident is verbruikt. Tevens heeft de rechtbank niet met de benodigde mate van zekerheid kunnen vaststellen welke specifieke taken in het huishouden de benadeelde partij niet heeft kunnen verrichten. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ziekenhuisdaggeld, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten € 76,-.
Benadeelde partij [aangeefster 1]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het eigen risico en de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Benadeelde partij [aangeefster 2]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Uit de namens de benadeelde partij overgelegde stukken is niet gebleken dat het eigen risico door dit incident is verbruikt. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Benadeelde partij [aangeefster 3]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de toekomstige schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de extra rijlessen en het gemiste rijexamen, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en de gevorderde schade de rechtbank hoog voor komt. Zij acht het aannemelijk dat het ten laste gelegde feit als gevolg heeft gehad dat de benadeelde partij enige vertraging heeft gelopen in het opleidingstraject voor haar rijbewijs. De rechtbank kan echter niet vaststellen in hoeverre de door de benadeelde partij gevorderde rijlessen geen onderdeel uitmaken van het reguliere opleidingstraject. Zij stelt de schade vast op € 1.500,-.
Immateriële schade
Benadeelde partij [aangever]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 15.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij. [aangeefster 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij [aangeefster 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij [aangeefster 3]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Wettelijke rente
De rechtbank zal ten aanzien van alle vorderingen de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding
Nu de vorderingen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoedingen worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregelen (hoofdelijk)
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van:
  • € 15.076,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
  • € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;
  • € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;
  • € 9.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 48 en 49, 55, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
de eendaadse samenloop van
medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
medeplichtigheid aan poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
18 (achttien) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 15.076,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.076,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 110 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 9.500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 82 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.C. Veltink en L. Molenaar, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.