ECLI:NL:RBDHA:2025:2419
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om haar Ziektewet-uitkering per 12 januari 2024 te beëindigen, omdat zij meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om de uitkering te behouden totdat op haar bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed, wat bij financiële geschillen niet snel het geval is. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een acute noodsituatie, mede omdat zij een echtgenoot met inkomen heeft en een eigen woning bezit. Ook is zij al ruim een jaar in afwachting van een beslissing op haar bezwaar.
De voorzieningenrechter concludeert dat het spoedeisend belang ontbreekt en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.