ECLI:NL:RBDHA:2025:24203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/6212
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Meessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.20 RlzArt. 5.21 RlzArt. 5.23 Rlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergoeding declaraties persoonsgebonden budget 2020-2021 door zorgkantoor

Eiseres maakte aanspraak op vergoeding van declaraties uit het persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg geleverd in 2020 en 2021 aan haar overleden vader. Het zorgkantoor had het pgb voor deze jaren vastgesteld en geweigerd de declaraties te vergoeden omdat deze niet tijdig waren ingediend conform de Regeling langdurige zorg (Rlz).

Eiseres voerde aan dat het zorgkantoor wel bevoegd was een belangenafweging te maken en dat zij door nalatigheid van de zorgverlener niet tijdig de juiste facturen had ontvangen. Ook stelde zij dat het vertrouwensbeginsel haar bescherming bood, omdat zij steeds het zorgkantoor op de hoogte had gehouden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres de indieningstermijnen ruimschoots had overschreden, ondanks dat zij de juiste facturen in oktober 2022 had ontvangen en pas in juli 2023 het verzoek tot vergoeding had ingediend. De toepassing van de Rlz was niet onevenwichtig en het vertrouwensbeginsel bood geen grond voor vergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van het zorgkantoor bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van het zorgkantoor om declaraties uit het pgb over 2020 en 2021 te vergoeden is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Koolhoven),
en

VGZ Zorgkantoor B.V., het zorgkantoor

(gemachtigde: mr. A.L.P van Unnik).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de weigering van het zorgkantoor om de door eiseres ingediende declaraties uit het vastgestelde persoonsgebonden budget (pgb) over 2020 en 2021 te vergoeden. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor de vergoeding van de declaraties heeft mogen weigeren. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 30 januari 2024 heeft het zorgkantoor geweigerd de ingediende declaraties uit het pgb op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) te vergoeden. Met het bestreden besluit van 7 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is het zorgkantoor bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. De vader van eiseres, [naam 1], heeft zorg op grond van de Wlz ontvangen in de vorm van een pgb. De zorg werd geleverd door Zorgpartners Midden-Nederland en de moeder van eiseres, [naam 2]. Eiseres trad in het kader van het pgb vanaf 2 mei 2017 op als gewaarborgde hulp.
3.1.
Met het besluit van 12 december 2019 heeft het zorgkantoor voor het jaar 2020 een pgb van € 55.120,94 toegekend. Met het besluit van 12 mei 2021 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2020 vastgesteld op € 7.708,50.
3.2.
Met het besluit van 3 december 2020 heeft het zorgkantoor voor het jaar 2021 een pgb van € 57.232,42 toegekend. [naam 1] is op 30 maart 2021 overleden. Met het besluit van 5 april 2021 heeft het zorgkantoor het pgb met ingang van 31 maart 2021 beëindigd en het pgb opnieuw berekend op een bedrag van € 13.955,30. Met het besluit van 9 juli 2021 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2021 vastgesteld op € 0,00. Met de beslissing op bezwaar van 1 november 2021 heeft het zorgkantoor de besluiten van 5 april 2021 en van 9 juli 2021 gehandhaafd.
3.3.
Op 17 juli 2023 heeft eiseres het zorgkantoor verzocht om alsnog tot uitbetaling over te gaan van de facturen van Zorgpartners voor de in de periode van mei 2020 tot en met maart 2021 aan haar vader geleverde zorg en van de declaraties van de door haar moeder verleende zorg. Op 15 september 2023 heeft eiseres in het dossier van haar moeder de hiervoor genoemde facturen en de urenbriefjes van januari 2020 tot en met december 2020 van haar moeder bij het zorgkantoor aangeleverd.
3.4.
Met het besluit van 22 september 2023 heeft het zorgkantoor besloten niet akkoord te gaan met de uitbetaling van de declaraties. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In een e-mail van 17 januari 2024 heeft het zorgkantoor eiseres bericht dat het bezwaar van eiseres gegrond is, omdat bij de beoordeling van het dossier zaken uit een ander dossier (dat van de moeder van eiseres) zijn meegenomen. Het zorgkantoor geeft aan een nieuw besluit te zullen nemen. Hierop heeft het zorgkantoor het primaire besluit van 30 januari 2024 genomen.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het zorgkantoor het primaire besluit gehandhaafd. Het zorgkantoor overweegt daartoe dat de pgb’s voor de budgetjaren 2020 en 2021 met de besluiten van 12 mei 2021 en 9 juli 2021 zijn vastgesteld. Als een pgb is vastgesteld, kunnen er voor het betreffende subsidiejaar geen declaraties meer worden ingediend. De budgetvaststellingen voor 2020 en 2021 staan in rechte vast. Daarbij komt dat de zorgverlener facturen binnen zes weken na de maand waarin de zorg is geleverd bij de budgethouder moet indienen. Vervolgens moet de gewaarborgde hulp de declaraties binnen vier weken bij de Svb indienen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Eiseres heeft pas in juli 2023 contact opgenomen met het zorgkantoor, terwijl zij de juiste facturen in oktober 2022 had ontvangen. Niet is gebleken dat eiseres het zorgkantoor of de Svb niet eerder op de hoogte had kunnen stellen van de situatie. Volgens het zorgkantoor is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de belangen van het zorgkantoor moeten wijken voor de belangen van de budgethouder. Dat het regelen van de financiële zaken er bij eiseres in is geschoten vanwege het overlijden van haar beide ouders, is geen reden voor het zorgkantoor om een uitzondering te maken. Dit mede gezien de zeer lange periode tussen de factuurdata en de datum van indiening van de facturen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het zorgkantoor ten onrechte stelt niet bevoegd te zijn om een belangenafweging te maken, omdat de artikelen 5.21 en 5.23 van de Regeling langdurige zorg (Rlz) dwingend recht zijn. Deze Rlz is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Uit uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven [1] en de Centrale Raad van Beroep [2] volgt dat het zorgkantoor wel verplicht en bevoegd is een belangenafweging te maken. Het is eiseres niet te verwijten dat zij de declaraties niet tijdig heeft ingediend, omdat Zorgpartners nalatig was tijdig de juiste facturen in te leveren. Daarom was het ook niet zinvol om bezwaar te maken tegen de budgetvaststellingen. Dat later alsnog de juiste facturen zijn verkregen, maakt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verder heeft eiseres het zorgkantoor eerder in haar bezwaren op de hoogte gesteld van haar problemen met Zorgpartners. Eiseres bestrijdt dat zij een andere gewaarborgde hulp had moeten inschakelen, nu dit geen verschil had gemaakt. Het zorgkantoor is door de late indiening niet in haar belangen geschaad. Niet ter discussie staat dat de facturen zijn besteed aan Wlz-zorg. Waren de facturen binnen de termijnen van de Rlz ingediend, dan had het zorgkantoor deze niet meer of anders kunnen toetsen. Eiseres wordt ernstig in haar belangen geschaad omdat zij een vordering van € 50.000,- van Zorgpartners zelf moet voldoen en haar moeder geen vergoeding krijgt voor de door haar geleverde zorg. Dit belang moet zwaarder wegen dan het belang van het zorgkantoor om aan de termijnen van de Rlz vast te houden. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft het zorgkantoor steeds op de hoogte gehouden van de redenen waarom zij de facturen niet binnen de gestelde termijnen kon indienen. In de beslissing op bezwaar van 1 november 2021 is aangegeven dat eiseres tot en met 31 december 2021 facturen kon indienen. Zij heeft toen alle beschikbare facturen ingediend. Eiseres mocht er op vertrouwen dat het niet tijdig indienen van de facturen haar niet zou worden tegengeworpen.
Wat is het beoordelingskader?
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
6. Niet in geschil is dat eiseres de declaraties niet binnen de daarvoor in artikel 5.23, vierde lid, onder c, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) gestelde termijn heeft ingediend. De vraag die de rechtbank gelet op de gronden van eiseres dient te beantwoorden is of in dit concrete geval de toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop het bestreden besluit berust, voor eiseres zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. In dat kader moet de rechtbank in deze zaak beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke onevenwichtigheid in dit geval niet gebleken. De nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, waaronder begrepen het tijdig indienen van declaraties, behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder. Dit geldt ook indien er, zoals in dit geval, een gewaarborgde hulp is. Het betoog van eiseres komt erop neer dat het haar niet te verwijten valt dat zij de declaraties niet tijdig heeft ingediend, omdat de facturen van Zorgpartners onjuist waren. Daargelaten of eerdere facturen van Zorgpartners juist waren of niet, heeft eiseres (naar eigen zeggen) in oktober 2022 de juiste facturen ontvangen. Desondanks heeft zij zich pas op 17 juli 2023 tot het zorgkantoor gewend met haar verzoek om de declaraties alsnog in behandeling te nemen. Daarmee heeft eiseres, ook indien sprake was van aanvankelijk onjuiste facturen, de indieningstermijn van artikel 5.23, vierde lid, onder c, van de Rlz, ruimschoots overschreden. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij de declaraties niet eerder kon indienen omdat zij niet over de juiste facturen van Zorgpartners beschikte, overweegt de rechtbank dat dit er niet aan in de weg lag om de overige declaraties tijdig in te dienen. Het is een keuze van eiseres geweest om op de juiste facturen te wachten. Ook het feit dat eiseres zo lang heeft gewacht met het indienen van de declaraties van de geleverde zorg door haar moeder is het gevolg van haar eigen werkwijze omtrent het beheren van het pgb. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een moeilijke situatie bevond vanwege het overlijden van haar beide ouders. Desondanks kan het feit dat zij zich pas op 17 juli 2023 tot het zorgkantoor heeft gewend met het verzoek de declaraties alsnog in behandeling te nemen, nadat het zorgkantoor haar in mei 2022 hiertoe nogmaals in de gelegenheid heeft gesteld, haar worden tegengeworpen. Daarbij is van belang dat het pgb’s betreft over de jaren 2020 en 2021 die het zorgkantoor al op 12 mei 2021 respectievelijk 9 juli 2021 heeft vastgesteld. Het zorgkantoor heeft eiseres voldoende gelegenheid geboden om de declaraties in te dienen. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd dan ook onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop het bestreden besluit berust, voor eiseres zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven.
6.2
Ook het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. In de door eiseres in beroep overgelegde e-mail van 27 mei 2021, afkomstig van de gemachtigde van het zorgkantoor, wordt geschreven dat de alsnog ingediende facturen afhankelijk van de motivering door de Svb in behandeling worden genomen. De e-mail bevat inderdaad een toezegging dat het zorgkantoor akkoord zal geven aan de Svb om de buiten een termijn van 8 weken ingediende facturen alsnog te accepteren. Nog daargelaten dat die e-mail geen toezegging inhoudt over de vergoeding vanuit het pgb ná een inhoudelijke beoordeling van die facturen, is deze mail gezonden naar aanleiding van het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 18 mei 2021 tegen de beëindigingsbeslissing van 5 april 2021. Uit een mail van 27 juli 2021 van de gemachtigde van het zorgkantoor volgt dat toestemming is gegeven aan de Svb om de facturen later in te dienen met daarbij de vraag of alle facturen inmiddels zijn voldaan. Bij de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar aangaande het jaar 2021 is uiteindelijk gebleken dat nog steeds geen facturen bij de Svb zijn ingediend en is de jaarafrekening voor 2021 mede om die reden in de beslissing op bezwaar van 1 november 2021 gehandhaafd. Dat in die beslissing onder de kop “Hoe nu verder?” staat aangegeven dat eiseres tot en met 31 december 2021 de facturen alsnog kan aanbieden bij de Svb, is geen uitdrukkelijke, onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging of andere uitlating of gedraging waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het zorgkantoor hoe dan ook zou instemmen met het alsnog uitbetalen van die facturen. Ten aanzien van de op 31 december 2021 ingediende facturen over 2020, waarop de bezwaarprocedure niet zag, is eiseres overigens in eerste instantie door de Svb bij besluit van 7 januari 2022 tegengeworpen dat deze te laat ingediend zijn, maar dat zij (nogmaals) in de gelegenheid is gesteld om de redenen van de te laten indiening toe te lichten. Wat betreft de facturen over 2021 is aan eiseres niet de te late indiening tegengeworpen, maar dat de tarieven niet kloppen. Ook in dit geval heeft de Svb eiseres in het besluit van eveneens 7 januari 2022 medegedeeld dat zij dit gebrek nog kan herstellen. Tegen de beslissingen van de Svb is geen bezwaar gemaakt. De uiteindelijke afwijzing om de declaraties in behandeling te nemen door het zorgkantoor, is gestoeld op het feit dat eiseres pas op 17 juli 2023 hiertoe het onderbouwde verzoek heeft ingediend. Het vertrouwensbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver strekken dat eiseres er op mocht vertrouwen dat een dergelijk laat ingediend verzoek nog zou kunnen leiden tot vergoeding van de ingediende facturen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025
.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Regeling langdurige zorg (Rlz)
Artikel 5.20
1. Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in:
a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt;
(…)
Artikel 5.21
Na afloop van iedere subsidieperiode wordt de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.
Het zorgkantoor stelt het persoonsgebonden budget binnen een half jaar na afloop van de subsidieperiode vast.
Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van de bedragen die de Sociale verzekeringsbank op grond van artikel 5.17, eerste lid, heeft uitbetaald.
Indien de verzekerde geen betalingen, als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, onder a en b, heeft laten doen dan wordt de subsidie, in afwijking van het derde lid, vastgesteld op nihil.
Artikel 5.23
(…)
4. De Sociale verzekeringsbank kan beslissen tot beëindiging of opschorting van de betalingen of een gehele of gedeeltelijke weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget:
(…)
c. indien de Sociale verzekeringsbank de declaratie niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat de verzekerde deze heeft ontvangen;

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het CBB van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1075.