Eiseres maakte aanspraak op vergoeding van declaraties uit het persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg geleverd in 2020 en 2021 aan haar overleden vader. Het zorgkantoor had het pgb voor deze jaren vastgesteld en geweigerd de declaraties te vergoeden omdat deze niet tijdig waren ingediend conform de Regeling langdurige zorg (Rlz).
Eiseres voerde aan dat het zorgkantoor wel bevoegd was een belangenafweging te maken en dat zij door nalatigheid van de zorgverlener niet tijdig de juiste facturen had ontvangen. Ook stelde zij dat het vertrouwensbeginsel haar bescherming bood, omdat zij steeds het zorgkantoor op de hoogte had gehouden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres de indieningstermijnen ruimschoots had overschreden, ondanks dat zij de juiste facturen in oktober 2022 had ontvangen en pas in juli 2023 het verzoek tot vergoeding had ingediend. De toepassing van de Rlz was niet onevenwichtig en het vertrouwensbeginsel bood geen grond voor vergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van het zorgkantoor bleef in stand.