ECLI:NL:RBDHA:2025:2421
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WW-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een nieuwe WW-uitkering. Verweerder had de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan de wekeneis en verwijtbaar werkloos was geworden. De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker stelde dat hij door misleiding van zijn werkgever zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd in de verwachting een nieuw zzp-contract te krijgen, wat niet is nagekomen. Hij heeft geen inkomsten, is kostwinner en moet twee kinderen onderhouden. Hij verwacht dat een bijstandsuitkering onvoldoende is om in de noodzakelijke kosten te voorzien.
De voorzieningenrechter vroeg om onderbouwing van het spoedeisend belang. Verzoeker kon dit niet met stukken staven. Verweerder stelde dat verzoeker nog spaarreserves heeft en dat een medebewoner een uitkering ontvangt, waardoor geen acute financiële nood bestaat. Gezien het ontbreken van onderbouwing en de aanwezige spaarreserves en uitkering van de medebewoner, concludeerde de voorzieningenrechter dat geen spoedeisend belang aanwezig is.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.