ECLI:NL:RBDHA:2025:2423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
SGR 24/8641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens herbeoordeling WIA

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid verzocht op 25 juli 2023 om een herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde het ministerie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op 25 januari 2024 in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank had een zitting gepland op 14 februari 2025, maar deze ging niet door omdat het ministerie het beroep op 31 januari 2025 introk. Dit volgde op het alsnog nemen van een beslissing door het UWV. Het ministerie verzocht daarop om een proceskostenveroordeling tegen het UWV.

De rechtbank oordeelde dat het UWV geheel aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog een beslissing te nemen. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe en legde het UWV op € 453,50 aan proceskosten te vergoeden, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het UWV ook het betaalde griffierecht van € 371,- moet vergoeden.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 371,- aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2025 in de zaak tussen

het Ministerie van Justitie en Veiligheid, uit Den Haag, verzoeker

(gemachtigde: M.J.A. van den Boogaart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
1.1.
Verzoeker heeft op 25 juli 2023 verzocht om een herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Op 25 januari 2024 heeft verzoeker verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om herbeoordeling.
1.2.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd op de zitting van 14 februari 2025. Deze zitting gaat niet door omdat verzoekster op 31 januari 2025 het beroep heeft ingetrokken. Verweerder heeft alsnog een beslissing genomen op het bezwaar. Verzoekster heeft verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
1.5.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten.
1.6.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan het beroep van verzoeker is tegemoetgekomen. Omdat verweerder alsnog een beslissing heeft genomen op het verzoek om een herbeoordeling, stelt de rechtbank vast dat verweerder geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De gemaakte proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.