ECLI:NL:RBDHA:2025:24281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak met proceskostenvergoeding
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 5 juni 2025 waarin de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van verzoeker als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Verzoeker had beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om schorsing van het besluit en behoud van verblijf en opvang in Nederland zolang het beroep loopt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak (zaaknummer NL25.26221) waarop het verzoek betrekking had, waardoor de voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk was. Wel is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op €907 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en is definitief, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. De proceskostenvergoeding betreft de kosten van rechtsbijstand door een derde partij.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld tot betaling van €907 aan proceskosten aan verzoeker.