ECLI:NL:RBDHA:2025:24298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
NL25.43853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Ethiopische eiser op basis van geloofwaardigheid en politieke overtuiging

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Ethiopische eiser door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, die stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen op 9 september 2025, met als reden dat de asielaanvraag ongegrond is. De rechtbank heeft de zaak op 8 december 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de eiser aanwezig was, maar de eiser zelf niet. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de geboortedatum van de eiser, zoals geregistreerd in Italië, niet ten onrechte heeft gehanteerd en dat de verklaringen van de eiser over zijn asielrelaas ongeloofwaardig zijn. De rechtbank heeft de afwijzing van de asielaanvraag in stand gelaten, omdat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de geloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de politieke overtuiging van de eiser niet voldoende is om vluchtelingschap aan te nemen, aangezien de minister heeft vastgesteld dat er geen reëel risico op vervolging bestaat bij terugkeer naar Ethiopië. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de gemachtigde van de eiser, ondanks het zorgvuldigheidsgebrek in de procedure.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43853
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.V. Bekker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.
6. De gemachtigde van eiser heeft een dag na de zitting aan de rechtbank laten weten dat eiser niet ter zitting aanwezig was omdat hij zich per abuis en met vertraging bij het kantoor van de gemachtigde had gemeld in plaats van bij de rechtbank. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het onderzoek te heropenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij op verzoek van een paar jongeren twee OLF (Ormomia Liberation Front) vlaggen heeft genaaid. De lokale veiligheidsdienst is hierachter gekomen en vervolgens is eiser door hen en een paar agenten meegenomen en mishandeld. Eisers vader was betrokken bij de OLF en is overleden. Eisers tweede reden van vertrek heeft ermee te maken dat de Ethiopische autoriteiten jongeren meeneemt om ze te laten vechten in de oorlog en dit wil eiser niet. Omdat eiser wordt gezocht door de autoriteiten, kan eiser niet terug naar Ethiopië. Bij terugkeer is eiser bang dat de Ethiopische autoriteiten hem gevangen zetten of vermoorden.

Het bestreden besluit

8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege betrokkenheid bij de OLF;
3. Politieke overtuiging;
4. Deelname demonstratie in Nederland.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. De nationaliteit en herkomst van eiser vindt de minister wel geloofwaardig. Het tweede en vierde relevante element vindt de minister ongeloofwaardig omdat eiser dit niet voldoende met objectieve documenten heeft onderbouwd. De minister heeft de verklaringen daarover niet alsnog geloofwaardig bevonden, omdat deze volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Het derde relevante element vindt de minister wel geloofwaardig, maar dat vindt de minister geen reden om aan te nemen dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt. Ook is er volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië. Tot slot is er geen reden om situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn aan te nemen omdat geen sprake is van individuele problemen waarom eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Het beroep
9. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert daar een aantal gronden over aan. De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt aan de hand van de gronden van eiser.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
10. Eiser voert aan dat de geboortedatum van eiser in Italië verkeerd is geregistreerd. De minister heeft ten onrechte de geboortedatum van eiser niet willen aanpassen naar de geboortedatum die eiser zelf heeft aangegeven.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte is uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005, zoals geregistreerd in Italië. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal van verhoor van 4 augustus 2023 van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) blijkt dat eiser is geschouwd tijdens het verhoor over zijn aanvraag. De twee verbalisanten zijn unaniem tot de conclusie gekomen dat eiser evident meerderjarig is. Uit het verslag van het aanmeldgehoor van 4 februari 2024 blijkt dat eiser wederom is geschouwd. De betrokken hoormedewerker is ook tot de conclusie is gekomen dat eiser evident meerderjarig is. Gelet op paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) kon de minister daarom concluderen dat sprake is van evidente meerderjarigheid van eiser.
12. Vervolgens heeft de minister een aanvullend onderzoek gedaan naar hoe de registratie van de geboortedatum in Italië tot stand is gekomen. Uit het resultaat van dit onderzoek volgt dat de geboortedatum is vastgesteld aan de hand van zijn eigen verklaring. Ook volgt uit het onderzoek dat eiser geen documenten heeft overlegd van de geboortedatum en dat er geen leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Met dit onderzoek heeft de minister voldaan aan zijn onderzoeksplicht om te beoordelen hoe de geregistreerde geboortedatum in Italië tot stand is komen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992). De minister heeft voor de geboortedatum van eiser mogen aansluiten bij de in Italië geregistreerde meerderjarige geboortedatum en heeft deze dus niet hoeven aanpassen naar de geboortedatum die eiser zelf heeft aangegeven.

Problemen OLF, herdenkingsdienst en demonstratie

13. Eiser heeft vervolgens gronden ingediend die gaan over de geloofwaardigheidsbeoordeling door de minister van zijn asielrelaas. Overkoepelend komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister heeft kunnen vinden dat de verklaringen over deze relevante elementen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank bespreekt dit in de volgorde zoals de minister die in het voornemen en het bestreden besluit heeft gehanteerd en gaat daarbij in op wat eiser hierover heeft aangevoerd.

Problemen betrokkenheid OLF

Wisselend verklaard over reden van vertrek (punt 2.1.1)
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van zijn vertrek uit Ethiopië. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat het steeds gaat om problemen met de OLF. Hieronder licht de rechtbank dat toe.
15. In het proces-verbaal van verhoor van 4 augustus 2023 staat dat eiser heeft verklaard:
“Ik heb een litteken op mijn knie. Dit komt door mishandelingen van de politie. Mijn vader is lid van de OLF. Daarom mishandelde ze mij. Mijn vader was er niet en daarom pakte ze mij. Mijn vader is uiteindelijk wel mishandeld en daaraan overleden.”
16. Vervolgens heeft eiser op pagina 12 van het aanmeldgehoor geantwoord op de vraag wat de reden van zijn vertrek is: “Omdat mijn vader met OLF heeft gevochten. Daarom kan ik daar niet meer wonen.” Als eiser dan wordt gevraagd wat de reden is waarom eiser daar niet meer kan wonen, zegt eiser: “De overheid kwam bij ons thuis en zei dat wij behoren tot de Shane. Ze hebben mijn moeder geslagen en mij ook. Vandaar kon ik daar niet meer wonen.” En als eiser dan wordt gevraagd of er nog andere redenen zijn waarom eiser niet terug kan naar Ethiopië antwoordt eiser: “Nee. Dat was het.”
17. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat de reden van vertrek is: “Ik heb de vlag gemaakt waardoor ik in de ogen van de autoriteiten ben gekomen en daarnaast is mijn vader betrokken en dat maakt ons leven moeilijk. Daarnaast als ik groot ben moet ik naar de oorlog en dat wil ik niet. (zie pagina 7 van het nader gehoor)” Ook heeft eiser verklaard dat de politie naar hem op zoek is omdat hij vlaggen had gemaakt voor een demonstratie, dat hij is verklikt (zie pagina 9 van het nader gehoor) en dat dit de reden is dat hij en zijn moeder zijn mishandeld (zie pagina 13 van het nader gehoor). Verder heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij, los van de mishandeling waarover hij heeft verklaard, geen andere problemen heeft gehad met de autoriteiten vanwege het lidmaatschap van zijn vader van de OLF (zie pagina 17 van het nader gehoor).
18. De rechtbank constateert dat de verklaringen uit het proces-verbaal van verhoor en het aanmeldgehoor tegenstrijdig zijn met de verklaringen uit het nader gehoor. Uit het proces-verbaal van gehoor en aanmeldgehoor lijkt het voor eiser te gaan om mishandelingen vanwege betrokkenheid van zijn vader bij de OLF, en in het nader gehoor lijkt het te gaan om mishandelingen vanwege activiteiten die eiser zelf heeft verricht.
19. De rechtbank is wel van oordeel dat de minister eiser met deze tegenstrijdigheid had moeten confronteren. Dat de minister dit niet heeft gedaan, is een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank passeert dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht omdat aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door dit gebrek. Eiser heeft namelijk in de zienswijze op deze tegenwerping kunnen reageren en de minister heeft die reactie van eiser kunnen betrekken bij het bestreden besluit.

Summiere verklaringen over het maken van vlaggen voor demonstratie (punt 2.1.2.)

20. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser niet meer kan verklaren over de demonstratie waarvoor eiser vlaggen voor zou hebben gemaakt. Hierover heeft de minister kunnen overwegen dat het niet te volgen is dat eiser enerzijds stelt te zijn mishandeld vanwege het maken van vlaggen voor de demonstratie, maar anderzijds geen concrete details kan vertellen over de demonstratie. Dat het volgens eiser onduidelijk is waarom hij meer zou moeten verklaren over de demonstratie, volgt de rechtbank niet.

Tegenstrijdige verklaring over tijdstip (punt 2.1.3.)

21. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit eiser niet meer tegenwerpt dat hij niet precies kan zeggen op welk moment de demonstratie heeft plaatsgevonden. Volgens eiser is het onduidelijk hoe dit doorwerkt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Dit betoog slaagt niet. De minister heeft naast dit punt meerdere redenen waarom hij het asiel ongeloofwaardig heeft bevonden. Naast het vervallen van dit enkele punt, zijn de andere redenen volgens de minister blijven staan. Van onduidelijkheid is dan ook geen sprake, gelet op wat de minister in het bestreden besluit nog steeds aan eiser tegenwerpt.

Tegenstrijdige verklaringen over aanleiding van mishandeling (punt 2.1.4.)

22. Verder heeft de minister kunnen stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding van de gestelde mishandeling van de autoriteiten in Ethiopië. Eiser heeft in zijn verklaringen verschillende aanleidingen genoemd voor mishandeling. Dit volgt ook uit de wisselende verklaringen die eiser heeft gegeven over zijn reden van vertrek. In dit verband verwijst de rechtbank naar overwegingen 14 tot en met 18. Dat volgens eiser uit het nader gehoor volgt dat hij twee keer mishandeld zou zijn, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor op pagina 17 het volgende verklaard op de vraag of eiser zelf andere problemen heeft gehad omdat zijn vader betrokken was bij de OLF: “Mijn probleem is dat ik die vlaggen had gemaakt en dat mijn vader betrokken was bij de OLF.” Als dan daarna wordt gevraagd of eiser, los van de mishandeling waar eiser over heeft verteld, nog andere problemen heeft gehad antwoordt eiser: “Nee geen andere problemen.”
Nog twee of drie jaar in Ethiopië verbleven zonder problemen (punt 2.1.5.)
23. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het onaannemelijk is dat eiser was achtergelaten door de autoriteiten vanwege een wond aan de knie van eiser als hij daadwerkelijk in de negatieve aandacht stond van de autoriteiten. Het standpunt van eiser dat het geen objectieve basis heeft dat de veiligheidsdiensten op zoek zouden moeten gaan naar eiser, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk gesteld dat hij te vrezen heeft voor de Ethiopische autoriteiten. Het is aan eiser om die vrees aannemelijk te maken. De minister heeft daarom kunnen tegenwerpen dat hij nog twee à drie jaar zonder problemen in Ethiopië is verbleven. De minister heeft ook niet de uitleg van eiser hoeven volgen dat hij niet werd gezocht omdat hij een wond aan zijn been had.

Problemen vanwege betrokkenheid vader bij de OLF (punt 2.1.6.)

24. Ook heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de problemen vanwege betrokkenheid van de vader van eiser bij de OLF ongeloofwaardig zijn. Zoals de rechtbank heeft overwogen (onder 17 en 22) volgt uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd tijdens het nader gehoor namelijk dat hij problemen heeft gehad omdat hij vlaggen heeft gemaakt. Eiser heeft op dat moment zelf verklaard dat hij geen andere problemen heeft gehad.

Deelname herdenkingsdienst en demonstratie (punt 4.2.1.)

25. De minister heeft tijdens de zitting niet het standpunt gehandhaafd dat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij niet in staat is aan te geven waar de herdenkingsdienst in Utrecht heeft plaatsgevonden. De minister heeft zich wel op het standpunt kunnen stellen dat eiser summiere en vage verklaringen heeft afgelegd over de herdenking in Utrecht. Juist omdat het maken van de vlaggen voor een demonstratie naar aanleiding van de dood van [naam] de belangrijkste reden voor vertrek is van eiser, heeft de minister mogen verwachten dat eiser meer zou kunnen verklaren over de herdenking van [naam] . Zo heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij in Ethiopië niet wist wanneer [naam] is overleden, maar dat hij dat pas wist omdat er een herdenkingsdienst in Nederland was (zie pagina 11 van het nader gehoor). De minister heeft daarom terecht tegengeworpen dat eiser in algemene bewoordingen is gebleven.
26. Over de demonstratie in Den Haag heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser daaraan heeft deelgenomen. Eiser heeft zelf verklaard dat hij in een Whatsapp groep zat waarin informatie over de demonstratie werd gedeeld (zie pagina 19 van het nader gehoor). Tijdens het nader gehoor is afgesproken dat eiser een screenshot zou maken van de Whatsapp berichten, maar dat is niet gebeurd. Juist omdat eiser in een Whatsapp groep zat waarin informatie zou zijn gedeeld, heeft de minister mogen verwachten dat eiser meer details zou kunnen vertellen over de demonstratie.
27. De rechtbank is wel van oordeel dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiser in Ethiopië niet heeft gedemonstreerd en dat nu wel zou doen. Eiser was toen immers nog een stuk jonger dan nu. Dit maakt echter niet dat de minister het gehele asielmotief niet ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de minister wel kunnen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over dit relevante element geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.

Politieke overtuiging

28. Over de geloofwaardig bevonden politieke overtuiging heeft eiser aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft beoordeeld of sprake is van een diepgewortelde overtuiging. Ook is niet van belang of eiser een prominente rol heeft gehad. Eiser is mishandeld als gevolg van zijn politieke overtuiging zodat vrees voor herhaling aannemelijk is.
29. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van vluchtelingschap. Daarbij heeft de minister terecht betrokken hoe sterk de politieke overtuiging van eiser is. Dit is van belang voor de beoordeling hoe eiser zich zal uiten bij eventuele terugkeer naar het land van herkomst, en of eiser dan een risico loopt op vervolging. Eiser heeft zelf in het nader gehoor verklaard op pagina 21 dat hij los van het deelnemen aan demonstraties geen andere dingen zal doen om op te komen voor de Oromo’s. Ook geeft eiser dan aan dat hij geen lid wil zijn van de OLF. Hieruit heeft de minister kunnen concluderen dat eiser niet aan te merken is als activist. Daarnaast heeft de minister betrokken dat de politieke oppositiepartij sinds 2018 legaal is. Dit blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 (zie pagina 55-56). Ook daaruit volgt dat eiser niets heeft te vrezen in het kader van activiteiten in het kader van de OLF. Zoals eerder is overwogen, heeft de minister de eerder gestelde problemen met de OLF ongeloofwaardig kunnen vinden. Gelet daarop is er geen risico op vervolging vanwege de politieke overtuiging van eiser.

School

30. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiser van school af moest, geen reden is voor de minister om vluchtelingschap aan te nemen.

Conclusie en gevolgen

31. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt.
32. Omdat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek heeft, krijgt eiser krijgt vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.