Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin de heer [naam 1] verzocht om een dwangakkoord op te leggen aan zijn schuldeisers. De heer [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van € 106.836,81 aan acht schuldeisers. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel wordt kwijtgescholden. Echter, niet alle schuldeisers hebben ingestemd met dit voorstel, wat de aanleiding vormde voor het verzoek aan de rechtbank om het akkoord dwingend op te leggen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat het voorstel niet het maximaal haalbare was. De rechtbank oordeelde dat de heer [naam 1] zich niet maximaal heeft ingespannen om een beter voorstel te doen, aangezien hij gedurende het minnelijk traject niet heeft gesolliciteerd of gewerkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schuldbemiddeling correct is uitgevoerd door de gemeente Den Haag, maar dat de belangenafweging niet in het voordeel van de heer [naam 1] uitviel. De rechtbank concludeerde dat de weigering van de schuldeisers om in te stemmen met de regeling niet onredelijk was, gezien het feit dat hun vorderingen een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast uitmaakten. De rechtbank heeft ook aangegeven dat het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) in een apart vonnis zal worden behandeld.